9 september 2005
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/139HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. C. Vidor.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 14 oktober 2002 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken met bepaling dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen € 200,-- per maand zal betalen.
De man heeft het verzoek tot betaling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen bestreden en - voor zover in cassatie nog van belang - zijnerzijds verzocht te bepalen dat de vrouw € 800,-- per maand voor zijn levensonderhoud zal betalen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 17 september 2003 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de man tot bewijslevering toegelaten. Vervolgens heeft de rechtbank bij eindbeschikking van 3 maart 2004 het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen kind ten laste van de man afgewezen en bepaald dat de vrouw aan de man als bijdrage in zijn levensonderhoud maandelijks een bedrag van € 800,-- zal betalen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft zij verzocht de beschikking te vernietigen, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen ten laste van de man vast te stellen op € 200,-- per maand, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een bijdrage in zijn levensonderhoud tot een bedrag van € 800,-- per maand c.q. te bepalen dat de man met ingang van 31 juli 2002 geen behoefte aan een uitkering tot zijn levensonderhoud heeft, en (meer subsidiair) te bepalen dat de alimentatieverplichting van de vrouw in tijd wordt beperkt tot een periode van ten hoogste drie jaren.
Bij beschikking van 30 september 2004 heeft het hof de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 25 mei 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 9 september 2005.