ECLI:NL:HR:2005:AU1672

ECLI:NL:HR:2005:AU1672, Hoge Raad, 27-09-2005, 03195/04

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-09-2005
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 03195/04
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2005:AU1672
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Overgangsrecht Wet taakstraffen: aanhangig zijn gemaakt van strafzaak en betekenis intrekking dagvaarding. Art. VI van de Wet taakstraffen houdt o.m. in dat deze wet geen gevolgen heeft t.a.v. strafzaken die voor de inwerkingtreding daarvan bij wege van dagvaarding aanhangig zijn gemaakt. Ingevolge art. 258.1 Sv wordt de zaak ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding vanwege de OvJ aan verdachte betekend. Een zaak blijft aanhangig zolang de dagvaarding niet is ingetrokken. Nadat twee dagvaardingen waren ingetrokken vóór inwerkingtreding van de Wet taakstraffen, is de dagvaarding die heeft geleid tot de uitspraak van de rb van de OvJ uitgegaan en aan verdachte betekend ná inwerkingtreding van de Wet taakstraffen. Het hof had toepassing moeten geven aan de Wet taakstraffen.

Uitspraak

27 september 2005

Strafkamer

nr. 03195/04

EC/AM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juli 2004, nummer 23/002262-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Benin) op [geboortedatum] 1967, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 26 april 2001, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 2. "medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur van 240 uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N.H. Fridsma, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal verstaan dat het Hof onder meer een taakstraf heeft opgelegd bestaande in een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair zes maanden hechtenis, dat de Hoge Raad als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust art. 22c en 22d Sr zal vermelden en het beroep voor het overige zal verwerpen. De conclusie is, voorzover voor de bespreking van de middelen van belang, aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van feit 1 met onder meer de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3.2. Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5 tot en met 12.

4. Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

5.1. De verdachte is door het Hof veroordeeld tot straf zoals hiervoor onder 1 is vermeld. Het Hof heeft als wettelijk voorschrift waarop de oplegging van de straf berust onder meer vermeld art. 22b (oud) Sr.

5.2. Bij Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (Wet taakstraffen, Stb. 2000, 365), welke in werking is getreden op 1 februari 2001, is art. 22b Sr komen te vervallen. Art. VI van die Wet houdt onder meer in dat deze wet geen gevolgen heeft ten aanzien van strafzaken die voor de inwerkingtreding daarvan bij wege van dagvaarding aanhangig zijn gemaakt.

5.3. Ingevolge art. 258, eerste lid, Sv wordt de zaak ter terechtzitting aanhangig gemaakt door een dagvaarding vanwege de officier van justitie aan de verdachte betekend. Een zaak blijft aanhangig zolang de dagvaarding niet is ingetrokken.

5.4. Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding kan worden afgeleid dat aan de verdachte vóór 1 februari 2001 twee inleidende dagvaardingen zijn betekend, welke echter beide zijn ingetrokken, en dat vervolgens op 7 februari 2001 de inleidende dagvaarding van de Officier van Justitie is uitgegaan die aan de verdachte op 13 februari 2001 is betekend en heeft geleid tot de einduitspraak van de Rechtbank.

5.5. Het vorenstaande brengt mee dat het Hof ten aanzien van de strafoplegging en de vermelding van de wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging berust, toepassing had moeten geven aan de op 1 februari 2001 in werking

getreden art. 22c en 22d Sr in plaats van aan art. 22b (oud) Sr. De Hoge Raad zal dienovereenkomstig de door het Hof opgelegde straf alsmede de vermelding van de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond verstaan.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Verstaat dat het Hof behalve een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf heeft opgelegd bestaande in een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair vier maanden hechtenis;

Verstaat dat de strafoplegging mede berust op art. 22c en 22d Sr;

Verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 27 september 2005.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2005, 538
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?