7 maart 2006
Strafkamer
nr. 01664/05 P
LR/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 april 2005, nummer 22/003983-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 9 februari 2004 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag € 103.836,-.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op het verweer dat de kosten van het opruimen van de ruimte waarin de hennepkwekerij was gevestigd, in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4.2. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnota van de raadsman houdt ten aanzien van het in het middel bedoelde verweer het volgende in:
"De casco's zijn na de Rechtbank-behandeling alsnog vernietigd. Cliënt heeft dit laten doen; de hal moest leeg en de verhuurder dreigde voor EUR 25.000 aan kosten te gaan maken. Het heeft cliënt EUR 5000 gekost, en alle casco's zijn vernietigd."
4.3. Indien door of namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter in geval van verwerping van dat verweer in zijn uitspraak tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 124).
4.4. Het Hof heeft het hiervoor onder 4.2 weergegevene kennelijk niet opgevat als behelzende een verweer als hiervoor onder 4.3 bedoeld. Die uitleg door het Hof van het namens de betrokkene aangevoerde is niet onbegrijpelijk, zodat het middel faalt.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 maart 2006.