5 december 2006
Strafkamer
nr. 01439/06 W
EC/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Roermond van 24 april 2006, nummer 04/898001-06, op een vordering van de Officier van Justitie tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van een straf opgelegd door het Landsgericht Düsselfdorf (Duitsland) in de zaak tegen:
[de veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Roermond".
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Landsgericht Düsseldorf (Duitsland) van 22 april 2005, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en veroordeelde ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van vijf jaar en zes maanden. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke veroordeelde in Duitsland in voorlopige hechtenis en ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op de overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid is beroofd geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht als ook de periode die veroordeelde in hechtenis heeft doorgebracht teneinde aan Duitsland te worden uitgeleverd.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst klachten over de aan de strafoplegging ten grondslag gelegde motivering.
3.2. Het middel kan niet tot cassatie leiden op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 tot en met 3.6.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 december 2006.