ECLI:NL:HR:2006:AZ0229

ECLI:NL:HR:2006:AZ0229, Hoge Raad, 14-11-2006, 01844/06 U

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-11-2006
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 01844/06 U
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2006:AZ0229
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 12 zaken
Aangehaald door 3 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002559 BWBR0006622

Samenvatting

Geen dreigende schending van het specialiteitsbeginsel a.b.i. art. 14 EUV en art. 12 UW op de grond dat de rb in haar uitspraak niet heeft aangegeven tot welke vermindering van de door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf haar ontoelaatbaarverklaring der verzochte uitlevering t.z.v. het in de stukken omschreven feit XII dient te leiden, nu a.) aan gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van een ter executie van een opgelegde straf verzochte uitlevering niet in de weg staat dat de uitleveringsrechter niet in staat is te beoordelen welk deel van die straf geacht moet worden te zijn opgelegd t.z.v. het feit of de feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag uitlevering kan worden toegestaan, aangezien dit ter beoordeling staat van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat, die gehouden zijn om, nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, de tul van de straf tot evenbedoeld gedeelte te beperken (HR NJ 1989, 304), en b.) de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel niet toekomt aan de uitleveringsrechter (HR NJ 2000, 367).

Uitspraak

14 november 2006

Strafkamer

nr. 01844/06 U

RB/SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 13 juni 2006, nummer 13/497255-06, op een verzoek van het Koninkrijk Noorwegen tot uitlevering van:

[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord" te Zwaag.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de verzochte uitlevering deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, een en ander op de wijze als in de bestreden uitspraak omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel klaagt over de dreigende schending van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in art. 14 EUV en art. 12 UW op de grond dat de Rechtbank in haar uitspraak niet heeft aangegeven tot welke vermindering van de door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf haar ontoelaatbaarverklaring der verzochte uitlevering ter zake van het in de stukken onder XII omschreven feit dient te leiden, zodat - aldus het middel - "de Noorse autoriteiten zelf kunnen bepalen hoe lang [de opgeëiste persoon] in arrest blijft, waardoor de ontoelaatbaarheid van de uitlevering terzake feit XII - en het component hiervan in de vrijheidsbeneming - teniet wordt gedaan".

3.2. Het middel faalt omdat a. aan de gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van een ter executie van een opgelegde straf verzochte uitlevering niet in de weg staat dat de uitleveringsrechter niet in staat is te beoordelen welk deel van die straf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit of de feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag uitlevering kan worden toegestaan, aangezien dit ter beoordeling staat van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat, welke autoriteiten gehouden zijn om, nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, de tenuitvoerlegging van de straf tot evenbedoeld gedeelte te beperken (vgl. HR 1 juli 1988, NJ 1989, 304), en b. de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel - behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen - niet toekomt aan de uitleveringsrechter (vgl. HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367).

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 november 2006.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2006, 712 NJ 2006, 629 RvdW 2006, 1090
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?