14 november 2006
Strafkamer
nr. 01844/06 U
RB/SG/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 13 juni 2006, nummer 13/497255-06, op een verzoek van het Koninkrijk Noorwegen tot uitlevering van:
[De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord" te Zwaag.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de verzochte uitlevering deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, een en ander op de wijze als in de bestreden uitspraak omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt over de dreigende schending van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in art. 14 EUV en art. 12 UW op de grond dat de Rechtbank in haar uitspraak niet heeft aangegeven tot welke vermindering van de door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf haar ontoelaatbaarverklaring der verzochte uitlevering ter zake van het in de stukken onder XII omschreven feit dient te leiden, zodat - aldus het middel - "de Noorse autoriteiten zelf kunnen bepalen hoe lang [de opgeëiste persoon] in arrest blijft, waardoor de ontoelaatbaarheid van de uitlevering terzake feit XII - en het component hiervan in de vrijheidsbeneming - teniet wordt gedaan".
3.2. Het middel faalt omdat a. aan de gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van een ter executie van een opgelegde straf verzochte uitlevering niet in de weg staat dat de uitleveringsrechter niet in staat is te beoordelen welk deel van die straf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit of de feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag uitlevering kan worden toegestaan, aangezien dit ter beoordeling staat van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat, welke autoriteiten gehouden zijn om, nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, de tenuitvoerlegging van de straf tot evenbedoeld gedeelte te beperken (vgl. HR 1 juli 1988, NJ 1989, 304), en b. de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel - behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen - niet toekomt aan de uitleveringsrechter (vgl. HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367).
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 november 2006.