Uitspraak wordt niet gepubliceerd.
ECLI:NL:HR:2007:AU6479
ECLI:NL:HR:2007:AU6479, Hoge Raad, 02-03-2007, 42159
Gerelateerde zaken
Formele relatie:
ECLI:NL:PHR:2007:AU6479
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen
Aangehaald door
Wettelijke verwijzingen
BWBR0011353
Samenvatting
CONCLUSIE PG, Inkomstenbelasting 2001. De drie zaken, waarin ik heden concludeer, hebben betrekking op de rendementsgrondslag van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet). Het geschil in cassatie in de zaak 41.617 betreft allereerst het antwoord op de vraag of de materiële belastingschuld ter zake van inkomen uit sparen en beleggen ontstaat vóór dan wel na afloop van het kalenderjaar. Als deze materiële belastingschuld ontstaat vóór het einde van het kalenderjaar, komt de vraag aan de orde of de betaling daarvan - nog voordat een voorlopige aanslag is vastgesteld, hierna ook: spontane betaling -, leidt tot een verlaging van de rendementsgrondslag. Het geschil in cassatie in de andere twee zaken betreft het antwoord op de vraag of de uitsluiting van belastingschulden bij de bepaling van de rendementsgrondslag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving. In verband met de laatste vraag onderzoek ik ambtshalve tevens of premieschulden vallen onder het begrip verplichtingen die voortvloeien uit een belastingwet als bedoeld in artikel 5.3, lid 3, onderdeel a, van de Wet.
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl