26 januari 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/024HR
MK/GL
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 2 juli 2004 ter griffie van de rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht echtscheiding tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken. Daarnaast heeft hij nevenvoorzieningen verzocht.
De vrouw heeft het verzoek bestreden en tevens zelfstandige verzoeken ingediend.
De rechtbank heeft bij beschikking van 9 maart 2005, voorzover in cassatie van belang, echtscheiding uitgesproken tussen partijen, bepaald dat de man in de situatie tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap € 783,-- per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, [de zoon] - verder te noemen: [de zoon] - geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997 en in de situatie na de verdeling € 735,50 per maand en tevens bepaald dat de man in de situatie tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap € 2.220,-- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud en in de situatie na de verdeling € 526,-- per maand, een en ander vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak van de echtscheiding.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 24 november 2005, hersteld bij beschikking van 9 februari 2006, heeft het hof de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep wat betreft de uitgesproken echtscheiding en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 9 maart 2005 op € 890,-- bepaald en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op € 2.200,-- per maand en met ingang van de datum dat de huwelijksgoederengemeenschap is verdeeld op nihil.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, A. Hammerstein en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 26 januari 2007.