16 maart 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/006HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Betrokkene],
wonende te [woonplaats], thans verblijvende in het A.B.C.-huis te Utrecht,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE
IN HET ARRONDISSEMENT UTRECHT,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Utrecht heeft op 22 september 2006 - onder overlegging van een op 21 september 2006 ondertekende geneeskundige verklaring, een behandelingsplan en de aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz - een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van het verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht, waar betrokkene op dat moment verbleef.
Nadat de rechtbank verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, de behandelend psychiater en de psychiatrisch verpleegkundige op 16 oktober 2006 had gehoord, heeft zij bij beschikking van dezelfde datum het verzoek toegewezen en machtiging verleend tot voortgezet verblijf van betrokkene in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht of in een ander BOPZ-inrichting tot en met 16 april 2007.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren E.J. Numann, als voorzitter, P.C. Kop, A. Hammerstein, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 16 maart 2007.