3 april 2007
Strafkamer
nr. 01402/06
DV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 augustus 1998, nummer 23/003186-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 12 juli 1996 - de verdachte ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot negen weken gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad zal vaststellen dat zich na het wijzen van de bestreden uitspraak een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding kan worden volstaan, en het beroep voor het overige zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden in de fase tussen de bij verstek gewezen uitspraak in hoger beroep en het tijdstip waarop deze uitspraak ter kennis van de verdachte is gebracht.
3.2. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.19). In datzelfde arrest is aangegeven wanneer van de hierbedoelde vertraging in elk geval geen sprake is.
3.3. Het verloop van het geding sedert de bestreden uitspraak van 21 augustus 1998 is geweest zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3 en 3.4.
3.4. Wat betreft het tijdsverloop na het wijzen van de bestreden uitspraak leidt de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.3 en 3.4 weergegeven gang van zaken in het licht van hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen tot het volgende. Niet kan worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum waarop de bestreden uitspraak is gewezen tot de datum waarop de verdachte zich op 24 maart 2000 weer heeft ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens valt toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie. In dat tijdvak is van overschrijding van de redelijke termijn dus geen sprake geweest.
Nu niet blijkt dat de verstekmededeling binnen een jaar nadat de verdachte zich op 24 maart 2000 weer had ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, rechtsgeldig is betekend hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij op de voet van art. 588, tweede of derde lid, Sv komt de vertraging na ommekomst van dat jaar tot 4 september 2001, zijnde de dag dat de verdachte wederom zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande was, voor rekening van het Openbaar Ministerie. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is vooropgesteld is het middel dus in zoverre gegrond (vgl. HR 12 april 2005, NJ 2005, 385).
3.5. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet, ook indien het totale procesverloop in aanmerking wordt genomen, eerstgenoemd belang prevaleren en strafvermindering worden toegepast.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze acht weken beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier D.N.I. Gjaltema, en uitgesproken op 3 april 2007.