6 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/001HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Brandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 15 september 2006 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.
De rechtbank heeft bij vonnis van 25 september 2006 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 22 december 2006 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot vernietiging en verwijzing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [Verzoeker] heeft schulden tot een totaal van € 212.232,03, welke ten dele zijn voortgevloeid uit de exploitatie van een restaurant en een eetcafé. Hij heeft toepassing van de schuldsaneringsregeling verzocht.
De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen.
3.2 Het hof heeft de grieven van [verzoeker], die erop neerkwamen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel was gekomen dat - zoals zij aan haar afwijzende beslissing ten grondslag had gelegd - niet te beoordelen was of hij te goeder trouw was geweest, verworpen en het vonnis bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof, na vooropgesteld te hebben dat het bij goede trouw in de zin van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. om een gedragsmaatstaf gaat, in gelijke zin als de rechtbank, te weten dat op basis van de overgelegde stukken en de door [verzoeker] geproduceerde overzichten niet kon worden beoordeeld of hij al dan niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Daaraan voegde het hof nog toe de indruk te hebben dat [verzoeker] onverantwoord heeft gehandeld door zonder gedegen kennis van zaken en ervaring een horeca-onderneming te starten.
3.3.1 Onderdeel 1 klaagt allereerst, onder verwijzing naar HR 17 december 2004, nr. R 04/023, NJ 2005, 240, dat het hof aldus het verzoek van [verzoeker] (in ieder geval mede) heeft afgewezen op een grond die de wet niet kent, althans die niet kan worden begrepen onder de facultatieve afwijzingsgrond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F., nu een dergelijk verzoek slechts op grond van voornoemde bepaling kan worden afgewezen indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest.
3.3.2 Het hof heeft kennelijk toepassing willen geven aan art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F., maar die bepaling kan niet aldus worden uitgelegd dat onder het daar omschreven geval mede begrepen is het geval dat niet kan worden beoordeeld of de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. In aanmerking genomen dat afwijzing van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling slechts mogelijk is op de gronden vermeld in art. 288 F., klaagt het onderdeel dan ook terecht dat het hof het verzoek van [verzoeker] heeft afgewezen op een grond die de wet niet kent.
3.4 Het middel behoeft voor het overige geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dat hof.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren P.C. Kop, J.C. van Oven, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 6 april 2007.