15 mei 2007
Strafkamer
nr. 01128/06
DV/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 oktober 2005, nummer 22/000324-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 25 april 2002 - de verdachte ter zake van 1. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 2. "opzettelijk een betaalpas bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg valselijk opmaken, met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte de betekening van de appeldagvaarding geldig heeft geoordeeld. Voorts bevat het middel de klacht dat het Hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet heeft geschorst.
3.2. Aan het dubbel van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2005 is gehecht een GBA-overzicht van 10 oktober 2005 dat inhoudt dat de verdachte sedert 23 juni 1997 zonder vaste woon- of verblijfplaats is. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat in de appelakte van 17 januari 2005 als adres van de verdachte is vermeld: "z.v.w.o.v.h.t.l." heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen oordelen dat het blijkens de daarvan opgemaakte akte door de verdachte bij de betekening van het vonnis van de Politierechter op 5 januari 2005 opgegeven adres [a-straat 1] te [woonplaats] had te gelden als haar feitelijke woon- of verblijfplaats in de zin van art. 588, eerste lid aanhef en onder b sub 2°, Sv (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.24 onder b).
3.3. Uit een en ander volgt dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De eerste klacht faalt derhalve.
3.4. Een aan voormeld dubbel van de dagvaarding gehechte akte van uitreiking houdt in dat op 27 september 2005 is getracht die dagvaarding uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [woonplaats], dat aldaar niemand werd aangetroffen en dat die dagvaarding na terugzending aan de afzender op 10 oktober 2005 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage en dat blijkens diens verklaring "de gerechtelijke brief op 10 oktober '05 als gewone brief is ontvangen". Bij de stukken bevindt zich voorts een kopie van de appeldagvaarding, gedateerd 11 oktober 2005, waarop met de pen is aangetekend: "per gewone post".
3.5. Daar volgens de hiervoor onder 3.4 genoemde akte van uitreiking de dagvaarding van de verdachte om op 14 oktober 2005 ter terechtzitting van het Hof te verschijnen op 10 oktober 2005 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage, is de in art. 413, eerste lid eerste volzin, Sv voorgeschreven termijn van tien dagen niet in acht genomen. Nu de stukken van het geding niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat de verkorting van de termijn heeft plaatsgevonden met toestemming van de verdachte en blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep de verdachte daar niet is verschenen, had het Hof het onderzoek ter terechtzitting op grond van art. 413, eerste lid, Sv in verbinding met art. 265, derde lid, Sv dienen te schorsen. Het Hof heeft het onderzoek ter terechtzitting echter voortgezet nadat verstek was verleend tegen de niet verschenen verdachte. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak oplevert (vgl. HR 12 februari 2002, LJN AD7800, NJ 2002, 286). De tweede klacht is dus gegrond.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 15 mei 2007.