6 november 2007
Strafkamer
nr. 01847/06
DV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, Enkelvoudige Kamer, van 24 februari 2006, nummer 23/005138-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Haarlem, locatie Zaandam van 20 september 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" strafbaar verklaard, doch bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het bestreden arrest heeft betrekking op een overtreding van art. 107, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994. Op grond van art. 177, eerste lid onder a, in verbinding met art. 178, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 wordt dit delict als overtreding aangemerkt. Het Hof heeft de verdachte ter zake van dat feit strafbaar verklaard, doch bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 300,-, subsidiair zes dagen hechtenis.
3.2. Ingevolge het tweede en derde lid van art. 427 Sv staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,-, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
3.3. Uit de tekst en de strekking van art. 427 Sv volgt dat voor de vraag of cassatieberoep openstaat, de beslissing ter zake van de tenlastegelegde overtreding(en) beslissend is en de - tevens in het arrest opgenomen - uitspraak op een vordering tot tenuitvoerlegging buiten beschouwing blijft.
3.4. De verdachte kan derhalve niet in zijn beroep worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 november 2007.