6 november 2007
Strafkamer
nr. 02597/06
IC/JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 februari 2006, nummer 20/011283-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2005 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 21, aanhef en onder a Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990" veroordeeld tot een geldboete van driehonderd euro, subsidiair zes dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep ten onrechte niet de inhoud van de tenlastelegging vermeldt.
3.2.1. Blijkens de stukken van het geding heeft de enkelvoudige strafkamer van het Hof het arrest overeenkomstig art. 425, vierde lid aanhef en onder c, (oud) Sv doen aantekenen in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Die "aantekening mondeling arrest" houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"2. Inhoud van de tenlastelegging
Overeenkomstig de dagvaarding in eerste aanleg."
3.2.2. De aantekening van het mondeling vonnis van de Kantonrechter in het proces-verbaal van de terechtzitting houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De inhoud van de telastelegging
Overeenkomstig de dagvaarding."
3.3. Art. 425, vierde lid, (oud) Sv - thans art. 425, derde lid, Sv - is op 1 januari 2002 in werking getreden. Voordien bevatte het thans vervallen art. 426d, tweede lid, Sv een vergelijkbare regeling voor mondelinge vonnissen van de enkelvoudige kamer van de rechtbank.
Die regeling was op haar beurt vergelijkbaar met de regelingen inzake de mondelinge vonnissen van de politierechter, de kinderrechter, de economische politierechter en de kantonrechter, zoals neergelegd in onder meer art. 378, tweede lid, en art. 395, tweede lid, Sv. De aantekening van al die vonnissen is door de Minister van Justitie vastgesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197, hierna: de Regeling). Aangezien de Minister voor de aantekening van de mondeling gewezen arresten van de enkelvoudige kamer van het gerechtshof geen nieuwe regeling heeft vastgesteld, moet worden aangenomen dat met de in de aanhef van het vierde lid van art. 425 (oud) Sv bedoelde, door de Minister van Justitie te bepalen wijze waarop een mondeling arrest dient te worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting, wordt gedoeld op de Regeling (vgl. HR 19 juni 2007, LJN BA0422).
3.4. Art. 3 van de Regeling houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 426d, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:
(...)
c. inhoud van de telastlegging (verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg is toegelaten, met vermelding van nadere opgave ter terechtzitting)."
3.5. Dat artikel houdt niet in dat van de bevoegdheid om in de aantekening van het mondeling vonnis met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging te verwijzen naar de dagvaarding in eerste aanleg slechts gebruik mag worden gemaakt indien deze tenlastelegging in het vonnis in eerste aanleg volledig is opgenomen. Evenmin doet ter zake of het vonnis in eerste aanleg door de appelrechter is bevestigd of vernietigd. Derhalve is in het bestreden arrest met de hiervoor in 3.2.1 vermelde verwijzing naar de dagvaarding in eerste aanleg genoegzaam tot uitdrukking gebracht wat de verdachte verweten wordt.
3.6. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 6 november 2007.