30 november 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/022HR
MK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.A.R. Schuckink Kool,
t e g e n
BUREAU JEUGDZORG AGGLOMERATIE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en het BJAA.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 31 januari 2005 ter griffie van de rechtbank Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) de rechtbank verzocht, kort gezegd, de minderjarige [het kind], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Na bestrijding van het verzoek door de moeder heeft de rechtbank bij beschikking van 21 maart 2005 [het kind] met ingang van die datum voor de duur van zes maanden onder toezicht gesteld en bepaald dat de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door het BJAA. Voor het overige heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden teneinde het BJAA in de gelegenheid te stellen een nader onderzoek te doen instellen door een extern deskundige naar het huidige ontwikkelingsniveau van [het kind].
Bij beschikking van 5 september 2005 heeft de rechtbank [het kind] onder toezicht gesteld van het BJAA met ingang van 21 september 2005 tot 21 maart 2006.
Tegen deze beschikking heeft de moeder op 16 oktober 2006 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 4 december 2006 heeft het hof de moeder wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
BJAA heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 De geldigheidsduur van de ondertoezichtstelling is op 21 maart 2006 verstreken. Om deze reden heeft de moeder geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
3.2 Overigens kan het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 november 2007.