27 november 2007
Strafkamer
nr. 03056/06
IC/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 juni 2006, nummer 22/000807-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht van 26 januari 2005 - de verdachte ter zake van "diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf, waarbij de bevolen tenuitvoerlegging van vier maanden gevangenisstraf is vervangen door een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer van de raadsvrouwe inhoudende dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
3.2. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging onder meer het volgende in:
"Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Haarlem van 14 juli 2003 is de verdachte onder meer veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen gegeven door of namens Reclassering Nederland.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, in dier voege dat de advocaat-generaal in plaats van de gevangenisstraf, oplegging van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren heeft gevorderd, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
Bij - door de raadsvrouw overlegde - beslissing van de meervoudige kamer van de rechtbank te Haarlem van 27 juni 2005 onder parketnummer 15-000668-03 is de proeftijd van de hiervoor genoemde voorwaardelijke veroordeling verlengd met één jaar.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw betoogd - kort en zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in de vordering tot tenuitvoerlegging, nu er reeds een onherroepelijk geworden beslissing omtrent die vordering is genomen.
Het Hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de proeftijd van de onderhavige voorwaardelijke veroordeling reeds bij rechterlijke beslissing door een ander college is verlengd, niet in de weg behoeft te staan aan het gelasten van de thans gevorderde tenuitvoerlegging, aangezien verdachtes belangen hierdoor in casu niet worden geschaad. Dit zou slechts anders zijn indien het gelasten van de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf tot gevolg zou hebben dat zij meer dan één maal zou worden geëxecuteerd. Het Hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, heeft de verdachte het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Het geven van een last tot tenuitvoerlegging is derhalve gerechtvaardigd."
3.3. De procesgang komt in deze zaak op het volgende neer. Bij het bestreden arrest heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijke straf bij gelegenheid van een veroordeling wegens een door de verdachte in de proeftijd begaan strafbaar feit. In een eerdere beschikking had de meervoudige kamer van de Rechtbank te Haarlem de proeftijd verlengd na een vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van diezelfde voorwaardelijke straf wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde.
3.4. Het middel miskent dat noch art. 14g Sr, noch enige andere rechtsregel eraan in de weg staat dat het openbaar ministerie ter zake van een voorwaardelijke veroordeling waarvan eerder wegens overtreding van een bijzondere voorwaarde bij rechterlijke beslissing de proeftijd is verlengd, alsnog de tenuitvoerlegging vordert wegens overtreding van de algemene voorwaarde, te weten het in de proeftijd plegen van een strafbaar feit, en dat op die vordering door de rechter, onverminderd het bepaalde in art. 14f Sr, enige in het eerste en tweede lid van art. 14g Sr bedoelde beslissing wordt gegeven.
3.5. Het middel faalt derhalve.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 27 november 2007.