ECLI:NL:HR:2008:BB4366

ECLI:NL:HR:2008:BB4366, Hoge Raad, 05-12-2008, 43722

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-12-2008
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 43722
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB4366
Formele relatie: ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ8736
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 7 zaken
23 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0002089 BWBR0002320 BWBR0002464 BWBR0002540 BWBR0003045 BWBR0005537 BWBR0005682 BWBR0006358 BWBR0007791 BWBR0007795 BWBR0009508 BWBR0011353 BWBR0011955 BWBR0020809 BWBR0037077 CELEX:31971R1408 CELEX:31992L0050 CELEX:31993L0036 EU:31971R1408 EU:31992L0050 EU:31993L0036

Samenvatting

Art. 12, lid 2, Belastingverdrag Ned-Duitsland. Overheidspensioen.

Uitspraak

nr. 43722

5 december 2008

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 2006, nr. 05/00007, betreffende een aanslag in de inkomstenbelasting.

1. Het geding in feitelijke instantie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 3 september 2007 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende, die de Duitse nationaliteit bezit en is geboren in 1933, is van 1 november 1975 tot 30 november 1998 werkzaam geweest bij een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon (hierna: de rechtspersoon). De pensioenen van de werknemers van die rechtspersoon waren geregeld in de Algemene burgerlijke pensioenwet (hierna: de ABP-wet). De uitvoering van die wet was ondergebracht bij de Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (hierna: het ABP). Met ingang van 1 januari 1996 is het ABP geprivatiseerd bij de Wet privatisering ABP (Wet van 12 december 1995, Stb. 639) en is het vermogen van het ABP onder algemene titel overgegaan op de Stichting Pensioenfonds ABP. Voorts is per die datum de ABP-wet ingetrokken en zijn de in die wet geregelde pensioenaanspraken van overheidswerknemers opgenomen in het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

3.1.2. Belanghebbende woonde in 2002 het gehele jaar in Duitsland. In dat jaar ontving hij een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP ter zake van zijn voormalig dienstverband met de rechtspersoon (hierna: het pensioen).

3.2. Voor het Hof was in geschil of artikel 12 van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland van 16 juni 1956, Trb. 1959, 85 (hierna: het Verdrag) het heffingsrecht over het pensioen toewijst aan Nederland of aan Duitsland. Het Hof heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 1994, nr. 29935, BNB 1995/117, geoordeeld dat het heffingsrecht over het pensioen ingevolge artikel 12, lid 2, van het Verdrag toekomt aan Nederland. Tegen dat oordeel richt zich het middel.

3.3. Zoals volgt uit evenvermeld arrest BNB 1995/117 is aan het vereiste van artikel 12, lid 2, van het Verdrag dat de Staat of een publiekrechtelijke rechtspersoon of instelling "betaalt", voldaan voor zover het pensioen is opgebouwd in overheidsdienst. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om terug te komen van deze uitleg, die, zoals uit het eerderbedoelde arrest ook volgt, mede verband houdt met voorwerp en doel van artikel 12, lid 2, van het Verdrag. Voor zover het middel op een andere uitleg berust, faalt het derhalve.

3.4. Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2008.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl PJ 2009, 15 BNB 2009/199 met annotatie van S. van Weeghel V-N 2008/59.12 FutD 2008-2504 Viditax (FutD) 2008120507
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?