28 maart 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/016HR
IV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. W. Römelingh.
Verzoekers tot cassatie zullen hierna mede worden aangeduid als [verzoekers].
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een ter griffie van de rechtbank te Utrecht ingekomen verzoekschrift heeft de toenmalige bewindvoerder over [verzoekers] zich gewend tot die rechtbank en verzocht ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.
Bij vonnissen van 27 november 2006 heeft de rechtbank alsnog de schuldsaneringsregeling van verzoekers beëindigd.
Tegen de vonnissen van de rechtbank hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Na mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 18 januari 2007 voornoemde vonnissen van 27 november 2006 van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 28 maart 2008.