28 maart 2008
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/038HR
IV/AG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
Beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoekers tot cassatie zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] c.s..
1. Het geding in feitelijke instanties
Met op 23 mei 2006 ter griffie van de rechtbank Rotterdam ingekomen verzoekschriften hebben [verzoeker] c.s. zich gewend tot die rechtbank en ten aanzien van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling verzocht.
De rechtbank heeft bij vonnissen van 31 augustus 2006 de verzoeken afgewezen.
Tegen deze vonnissen hebben [verzoeker] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Gravenhage.
Na mondelinge behandeling heeft het hof bij tussenarrest van 23 november 2006 de behandeling van de zaak aangehouden voor het overleggen van stukken door [verzoeker] c.s.
Nadat [verzoeker] c.s. bij brieven van 12, 13 en 28 december 2006 en 2 februari 2007 nadere informatie hebben verstrekt, heeft het hof bij eindarrest van 20 februari 2007 de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen zowel het tussen- als eindarrest hebben [verzoeker] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 28 maart 2008.