20 juni 2008
Eerste Kamer
07/10788
RM/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder]
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. W.P. den Hertog,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG STADSREGIO ROTTERDAM,
kantoorhoudende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de moeder en de Stichting.
1. Het geding in feitelijke instanties
De minderjarige zoon van de moeder is onder toezicht gesteld en met een rechterlijke machtiging uit huis geplaatst; hij verblijft in een pleeggezin. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn meermalen verlengd.
De Stichting heeft bij verzoekschrift van 14 april 2006 aan de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing wederom te verlengen.
De moeder heeft het verzoek bestreden.
Bij beschikking van 16 mei 2006 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 24 juli 2006 en iedere verdere beslissing aangehouden.
Bij beschikking van 20 juli 2006 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengd tot 24 mei 2007.
In verband met een door de Stichting aangevraagd gedragskundig onderzoek heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 7 december 2006.
Bij beschikking van 30 november 2006 is deze nader verlengd tot 10 januari 2007.
Na ontvangst van het rapport van het psychodiagnostisch onderzoek heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 januari 2007 de duur van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 24 mei 2007.
Tegen de beschikking van 9 januari 2007 heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Na behandeling van de zaak heeft het hof bij beschikking van 15 mei 2007 de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de zoon is op 24 mei 2007 verstreken. Om deze reden heeft de moeder geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A. Hammerstein en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 20 juni 2008.