31 oktober 2008
Eerste Kamer
07/11816
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2005 is ten aanzien van [verzoeker] de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
De rechtbank heeft bij vonnis van 20 juni 2007 de voordracht van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen en ambtshalve het saneringsplan gewijzigd, in die zin dat de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, wordt vastgesteld op 2 jaar, 1 maand en 18 dagen, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve tot 20 juni 2007. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoeker] in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt door het in kracht van gewijsde gaan van haar vonnis.
Tegen het vonnis van de rechtbank van 20 juni 2007 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 21 september 2007 heeft het hof de beslissing waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de voordracht tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog toegewezen en de zaak voor verdere afdoening verwezen naar de rechtbank.
Het arrest van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.
3. Beoordeling van het middel
3.1 De in middel I aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, nu hij niet heeft voldaan aan de inspanningsplicht, onvoldoende heeft afgedragen aan de boedel en heeft verzuimd de bewindvoerder de benodigde inlichtingen te verstrekken. De rechtbank heeft evenwel, teneinde te voorkomen dat [verzoeker] ingevolge art. 350 lid 5 (oud) F. van rechtswege in staat van faillissement zou komen te verkeren, niet de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] op de voet van art. 350 F. beëindigd, maar het desbetreffende verzoek van de rechter-commissaris afgewezen, ambtshalve het saneringsplan in die zin gewijzigd dat de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, bepaald werd op een zodanig tijdvak dat die eindigde op de dag waarop de rechtbank uitspraak deed, en vastgesteld dat [verzoeker] in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten.
3.3 Het hof heeft de grieven van [verzoeker], die alle gericht waren, kort gezegd, tegen het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, verworpen, maar niettemin het vonnis van de rechtbank vernietigd omdat de rechtbank de voordracht tot tussentijdse beëindiging naar het oordeel van het hof had moeten toewijzen. Het hof heeft dienovereenkomstig de door de rechter-commissaris verlangde tussentijdse beëindiging alsnog uitgesproken en de zaak teruggewezen naar de rechtbank opdat die de zaak verder zou afdoen, de benoeming van een rechter-commissaris en een curator in het faillissement van [verzoeker] daaronder begrepen.
3.4 Terecht klaagt middel II dat het het hof niet vrijstond aldus ten nadele van [verzoeker] het vonnis van de rechtbank te vernietigen op een onderdeel waartegen de grieven van [verzoeker] niet waren gericht.
3.5 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door het vonnis van de rechtbank alsnog te bekrachtigen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 september 2007;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2007.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 31 oktober 2008.