16 december 2008
Strafkamer
Nr. 07/13327
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 22 juni 2007, nummer RK 07/2577, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord" te Zwaag.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben mr. C. Stroobach en mr. N. Hendriksen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over de ongegrondverklaring van het klaagschrift strekkende tot teruggave aan de klager van onder hem inbeslaggenomen goederen.
2.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in:
"Standpunten
De raadsman van klager heeft aangevoerd dat de rechtbank de teruggave van de inbeslaggenomen goederen dient te gelasten, nu de goederen klager toebehoren, een persoonlijke waarde vertegenwoordigen en hij dient te kunnen beschikken over deze goederen. Deze goederen hebben geen relatie met de klager verweten strafbare feiten en de inbeslagneming, die reeds geruime tijd voortduurt, en de voortduring daarvan dienen geen enkel strafvorderlijk doel. Ten aanzien van de lopende Nederlandse strafzaak hadden de inbeslaggenomen goederen al moeten zijn onderzocht in het kader van de waarheidsvinding.
De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het strafvorderlijk belang is gediend bij handhaving van het beslag. De officier van justitie vordert primair de ongegrondheid van het klaagschrift, omdat afgewacht moet worden of de justitiƫle autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika een rechtshulpverzoek indienen met betrekking tot de onderhavige goederen. De officier van justitie vordert subsidiair de ongegrondheid van het klaagschrift, omdat de inbeslaggenomen goederen op vordering van het openbaar ministerie kunnen worden gebruikt voor een eventueel nader onderzoek, indien de uitlevering niet door zou gaan en de Nederlandse strafzaak tegen klager zou worden hervat.
Beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Hierbij is van belang dat een deel van de inbeslaggenomen goederen een onderzoeksbelang kunnen dienen. Voorts blijkt uit de stukken en de behandeling in raadkamer naar het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen goederen zal verbeurd verklaren/onttrekken aan het verkeer.
Het beklag dient dan ook ongegrond te worden verklaard."
2.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het belang van de strafvordering zich verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen goederen. Dat oordeel moet aldus worden verstaan dat de inbeslaggenomen goederen van belang kunnen zijn in het kader van hetzij de strafvervolging die in de Verenigde Staten van Amerika tegen de klager is ingesteld, hetzij de voortzetting van de strafvervolging die in Nederland tegen de klager is ingesteld. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het behoefde in het licht van hetgeen door de klager is aangevoerd evenmin nader te worden gemotiveerd.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2008.