9 oktober 2009
Eerste kamer
08/04073
RM/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiseres 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERZOEKSTERS tot cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,
t e g e n
1. [Verweerster 1],
2. [Verweerder 2],
beiden wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] c.s. en [verweerder] c.s.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de kantonrechter te Amsterdam op 22 februari 2007, hebben [verweerder] c.s. een verzoek tot ontruimingsbescherming op grond van art. 7:230a BW ingediend. [Verweerder] c.s. hebben verzocht hen in het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans de termijn waarbinnen de ontruiming van het gehuurde aan [a-straat 1] sous en beletage te [plaats] dient plaats te vinden, tot 1 februari 2008 te verlengen.
[Eiseres] c.s. hebben het verzoek bestreden en in reconventie verzocht, voorzover de kantonrechter schorsing van de ontruiming zou bevelen, de som die [verweerder] c.s. verplicht zijn voor het gebruik van het gehuurde aan [eiseres] c.s. te betalen, over de periode van 1 februari 2007 tot aan de ontruimingsdatum, vast te stellen op € 2.000,-- per maand, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag.
Na mondelinge behandeling van de zaak en een plaatsopneming van het gehuurde, heeft de kantonrechter bij tussenbeschikking van 31 mei 2007 [verweerder] c.s. toegelaten te bewijzen dat partijen bij het aangaan van de huurovereenkomst een gebruik van het gehuurde als (overwegend) woonruimte voor ogen heeft gestaan. Na getuigenverhoren heeft de kantonrechter bij eindbeschikking van 21 december 2007 [verweerder] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek en het meer of anders verzochte afgewezen.
Tegen de eindbeschikking hebben [eiseres] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 19 juni 2008 heeft het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben [eiseres] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het hof heeft in rov. 4.9 geoordeeld dat aan de bewoordingen van de schriftelijke huurovereenkomst geen beslissende betekenis toekomt, omdat voor de beantwoording van de vraag (waarover partijen strijden) of het gehuurde kan worden gekwalificeerd als woonruimte dan wel als bedrijfsruimte in de zin van art. 7:230a BW, beslissend is hetgeen partijen - mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, het vloeroppervlak en het aantal vertrekken - bij het aangaan van de overeenkomst omtrent het gebruik voor ogen heeft gestaan. Onderdeel 1, dat klaagt dat het hof slechts als maatstaf heeft gebruikt hetgeen partijen voor ogen stond bij het aangaan van de overeenkomst, gaat uit van een verkeerde lezing van de beschikking van het hof en kan daarom niet tot cassatie leiden.
3.2 Onderdeel 2 bevat de klacht dat, als het hof wel de juiste maatstaf heeft gebruikt, het hof deze maatstaf onjuist heeft toegepast dan wel zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. Anders dan het onderdeel betoogt heeft het hof, op de voet van de door de kantonrechter gegeven motivering, klaarblijkelijk alle aangevoerde relevante elementen in ogenschouw genomen en op een begrijpelijke wijze beoordeeld. Onderdeel 2 faalt.
3.3.1 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 4.15-4.17 dat [A], gelet op haar hoedanigheid van makelaar in onroerende zaken waar aan de eigenaar het beheer van het pand had toevertrouwd, over een toereikende volmacht van de eigenaar beschikte om het gehuurde als woonruimte te verhuren in afwijking van de bewoordingen van de schriftelijke huurovereenkomst, zeker nu het een moeilijk verhuurbaar object betrof. Volgens het onderdeel heeft het hof aldus miskend dat bij een onbevoegdelijk in naam van een ander verrichte rechtshandeling een noodzakelijke voorwaarde voor bescherming van de wederpartij tegen dat gebrek is, dat zij op grond van een verklaring of gedraging van die ander, heeft aangenomen dat een toereikende volmacht was verleend.
3.3.2 Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat [eiseres] c.s. in feitelijke instanties niet de stelling hebben ingenomen dat de huurovereenkomst onbevoegd was aangegaan. Voor de uitleg van de overeenkomst is in beginsel niet van belang of een van partijen zonder toereikende volmacht heeft gehandeld. Het onderdeel ziet hieraan voorbij. In het bijzonder brengt het ontbreken van een toereikende volmacht niet mee dat bij verschil tussen de tekst van de schriftelijke overeenkomst en de daarvan afwijkende bedoeling bij het aangaan van de overeenkomst, zoals in dit geval is vastgesteld, alleen betekenis toekomt aan de schriftelijke tekst. Het onderdeel kan reeds daarom niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 348,38 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren, A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 9 oktober 2009.