22 december 2009
Eerste Kamer
09/03841
EE/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M.J. Post.
Verzoeker tot cassatie zal hierna ook worden aangeduid als de schuldenaar.
1. Het geding in feitelijke instanties
Bij vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 januari 2007 is ten aanzien van de schuldenaar de definitieve schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Op voordracht van de bewindvoerder heeft de rechtbank bij vonnis van 6 augustus 2009 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaar beëindigd, zonder toekenning van een schone lei.
Tegen dit vonnis heeft de schuldenaar hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Gravenhage.
Bij arrest van 15 september 2009 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft de schuldenaar beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president F.H. Koster op 22 december 2009.