ECLI:NL:HR:2010:BL0616

ECLI:NL:HR:2010:BL0616, Hoge Raad, 30-03-2010, 07/11279

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 30-03-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 07/11279
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL0616
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 9 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

Betekeningsperikelen. Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AD5163 (rov. 3.20). Het vooropgestelde geldt dus ook indien de genoemde opgave van de GBA weliswaar een plaats in een ander land inhoudt doch niet (zoals i.c.) de nadere - voor betekening benodigde - adresgegevens. In aanmerking genomen dat het Hof niet heeft blijk gegeven te hebben onderzocht of bij de desbetreffende gemeente navraag is gedaan of de betrokkene bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd, is 's Hofs oordeel dat de oproeping in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend, ontoereikend gemotiveerd.

Uitspraak

30 maart 2010

Strafkamer

nr. 07/11279

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 april 2007, nummer 23/005991-06, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1. Het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de dagvaarding in eerste aanleg rechtsgeldig is betekend met onder meer de klacht dat het Hof eerst dan had mogen aannemen dat verdachtes woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag was gedaan of de verdachte bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd.

2.2.1. Tot de stukken van het geding behoren onder meer:

(i) een akte van uitreiking - behorende bij de dagvaarding voor de terechtzitting van de Rechtbank van 3 november 2005 - inhoudende dat die dagvaarding op 13 oktober 2005 als gewone brief is verzonden naar het adres van de verdachte

"[adres]";

(ii) een aan die akte van uitreiking gehecht "GBA-overzicht" van 13 oktober 2005, onder meer inhoudende:

"Niet gedetineerd

Huidig GBA-adres

Vanaf: 20-5-2005

Adres: [a-straat]

Land: Canada".

2.2.2. Het vonnis van de Rechtbank van 3 november 2005 houdt in dat de verdachte bij verstek is berecht en dat hij "zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland" is.

2.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"De raadsman voert aan dat de inleidende dagvaarding nietig is, nu deze dagvaarding niet is betekend aan het door de verdachte aan de politie opgegeven verblijfsadres aan de [b-straat 1] te [plaats]. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit de daarvan opgemaakte akte blijkt dat op 13 oktober 2005 getracht is de inleidende dagvaarding en oproeping (in de ontnemingszaak) uit te reiken aan het adres [c-straat 1], [plaats], en voorts, dat op dezelfde datum een afschrift is verzonden naar dat adres en overigens is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank, eveneens op 13 oktober 2005.

Uit het aan de akte gehechte GBA-overzicht blijkt dat vanaf 20 mei 2005 als GBA-adres is vermeld:

"[adres]". Nadere gegevens van een adres in Canada ontbreken in het dossier en waren toen niet voor justitie beschikbaar. Derhalve was uitreiking op een adres in het buitenland niet mogelijk vanaf 20 mei 2005, zodat ingevolge artikel 588, eerste lid onder b 2° van het Wetboek van Strafvordering de uitreiking dient te geschieden -indien mogelijk- aan de woon- of verblijfplaats van de verdachte. Weliswaar volgt uit het dossier dat de verdachte bij gelegenheid van zijn verhoor op 19 januari 2004 verklaard heeft: "Ik slaap af en toe op de [b-straat].", doch die verklaring brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat dat adres heeft te gelden als een woon- of verblijfplaats in de zin van de eerder vermelde bepaling, te minder nu de verdachte volgens die verklaring daaraan heeft toegevoegd: "Verder ben ik overal en nergens."

Bij die stand van zaken zijn de inleidende dagvaarding en oproeping op de bij de wet voorgeschreven wijze uitgereikt."

2.4. Wanneer volgens opgave van de GBA de verdachte naar een ander land is vertrokken, mag eerst dan worden aangenomen dat zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland niet bekend is indien bij de desbetreffende gemeente - zonder resultaat - navraag is gedaan of de verdachte bij zijn vertrek de voor de uitreiking van gerechtelijke mededelingen benodigde adresgegevens heeft opgegeven en of die gegevens zijn geadministreerd (vgl. HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 rov. 3.20).

2.5. Het vorenstaande onder 2.4 geldt dus ook indien de genoemde opgave van de GBA weliswaar een plaats in een ander land inhoudt doch niet de nadere - voor betekening benodigde - adresgegevens.

Het Hof heeft geoordeeld dat het adres "[adres]" niet als woon- of verblijfplaats van de verdachte in het buitenland kan worden aangemerkt omdat "nadere gegevens van een adres in Canada ontbreken in het dossier". Het Hof had evenwel alleen tot dat oordeel kunnen komen indien de hiervoor bedoelde navraag was gedaan en zonder resultaat was gebleven.

In aanmerking genomen dat het Hof niet heeft blijk gegeven te hebben onderzocht of deze navraag is gedaan, is 's Hofs oordeel dat de inleidende dagvaarding rechtsgeldig is betekend, ontoereikend gemotiveerd. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 30 maart 2010.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2010, 482 NJ 2010, 198
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?