ECLI:NL:HR:2010:BL7689

ECLI:NL:HR:2010:BL7689, Hoge Raad, 20-04-2010, 08/03527

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 20-04-2010
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 08/03527
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL7689
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 11 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0006622

Samenvatting

Art. 408 Sv. Klacht over niet-ontvankelijkheid hb. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat verdachte na de dag van de ttz. in e.a. heeft kennisgenomen van de inleidende dagvaarding. Het Hof heeft waar het overweegt dat verdachte binnen veertien dagen nadat hij kennis had genomen van die dagvaarding, hb had dienen in te stellen, die kennisneming kennelijk aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak verdachte bekend is a.b.i. art. 408.2 Sv. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij nog opmerking verdient dat de door het Hof in het verband van dat oordeel gestelde eis dat verdachte na de kennisneming van die dagvaarding ‘had moeten informeren naar de einduitspraak’, geen steun vindt in het recht.

Uitspraak

20 april 2010

Strafkamer

nr. 08/03527

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Enkelvoudige Kamer, van 2 juli 2008, nummer 22/003929-07, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

2.2. De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.

2.3. Art. 408 Sv luidt:

"1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding of oproeping om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

(...)

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij

a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of

b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing."

2.4. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat de verdachte na de dag van de terechtzitting in eerste aanleg heeft kennisgenomen van de inleidende dagvaarding. Het Hof heeft, waar het overweegt dat de verdachte binnen veertien dagen nadat hij kennis had genomen van die dagvaarding, hoger beroep had dienen in te stellen, die kennisneming kennelijk aangemerkt als een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is, als bedoeld in art. 408, tweede lid, Sv. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, waarbij nog opmerking verdient dat de door het Hof in het verband van dat oordeel gestelde eis dat de verdachte na de kennisneming van die dagvaarding "had moeten informeren naar de einduitspraak", geen steun vindt in het recht.

3. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken op 20 april 2010.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2010, 587 NJ 2010, 247 NJB 2010, 1030 NbSr 2010/182
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?