14 september 2010
Strafkamer
nr. 09/00100 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Zutphen van 6 november 2008, nummer RK 08/560, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot gegrondverklaring van het klaagschrift met last tot teruggave van de inbeslaggenomen personenauto aan de klager.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel keert zich tegen de ongegrondverklaring van het beklag.
2.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De verzoeker voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik wil graag mijn auto terug. Deze auto heeft kenteken [AA-00-BB]. Ik heb niets met de strafzaak te maken. Ik had de auto aan [betrokkene 1] geleend en niet aan mijn broertje, genaamd [betrokkene 2]. [Betrokkene 1] kwam onderweg mijn broertje tegen en gaf hem een lift. Mijn broertje heeft geen rijbewijs. [Betrokkene 1] leende wel vaker mijn auto.
De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik ben van oordeel dat verzoeker zichzelf het verwijt moet maken dat zijn auto in beslag is genomen. Hij heeft de auto vaker uitgeleend en er zijn strafbare feiten mee gepleegd. Ik verzet mij tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto.
De verzoeker voert het woord, zakelijk weergegeven:
Ik ben het daar niet mee eens. Het is nog niet eens vastgesteld dat ze aan het dealen waren. Degene die mijn auto had geleend, had helemaal niets met drugs te maken. De drugs zijn bij mijn broertje aangetroffen. Ik leende mijn auto ook niet hele dagen of nachten uit."
2.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"Het klaagschrift richt zich tegen de inbeslagneming van en het uitblijven van teruggave van een personenauto, merk Opel, type Astra, kenteken [AA-00-BB].
Blijkens de kennisgeving van inbeslagneming is op 4 juli 2008 door de politie District Apeldoorn onder [betrokkene 1], als verdachte ten aanzien van overtreding van de Opiumwet, inbeslaggenomen een personenauto, merk Opel, type Astra, kenteken [AA-00-BB].
Door klager is gesteld dat hij eigenaar van genoemde personenauto is, en dat hij deze terug wil hebben. Klager heeft daarbij aangevoerd dat de drugs bij zijn broer [betrokkene 2] zijn aangetroffen en niet bij [betrokkene 1], aan wie klager de auto had geleend.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het klaagschrift. De drugs werden dan wel bij [betrokkene 2] aangetroffen, maar deze persoon zat net als [betrokkene 1] in de van klager geleende personenauto.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van voornoemde personenauto zal besluiten, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard."
2.4. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat onder [betrokkene 1] op de voet van art. 94 Sv beslag is gelegd op de in het klaagschrift bedoelde personenauto en voorts dat deze personenauto in eigendom toebehoort aan de klager. Te dezen doet zich dus het geval voor dat een ander dan de beslagene, stellende dat het inbeslaggenomen voorwerp hem in eigendom toebehoort, zich bij de Rechtbank beklaagt over de voortduring van het beslag en het uitblijven van een last tot teruggave aan hem. In een zodanig geval dient de Rechtbank (a.) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo neen, (b.) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klager omdat deze redelijkerwijze als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen (vgl. HR 10 maart 2009, LJN BG9151, NJ 2009, 149).
2.5. Het oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van de aan de klager toebehorende personenauto zal besluiten, is tegen de achtergrond van hetgeen door de klager in raadkamer naar voren is gebracht zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
2.7. Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat de strafzaak tegen [betrokkene 1] in het kader waarvan het onderhavige beslag is gelegd, bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 25 mei 2009 is afgedaan, en dat daarin geen beslissing is gegeven met betrekking tot de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven personenauto. Dat brengt mee dat de door de Rechtbank aan haar beslissing ten grondslag gelegde waarschijnlijkheid van verbeurdverklaring van genoemde personenauto niet langer bestaat. Nu, gelet op hetgeen de Rechtbank omtrent de inbeslaggenomen personenauto heeft overwogen, niet valt in te zien waarom het ongecontroleerde bezit van die auto in strijd is met de wet of het algemeen belang, moet ervan worden uitgegaan dat die auto niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Gelet op het voorgaande zal de Hoge Raad om redenen van doelmatigheid, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de teruggave van de inbeslaggenomen personenauto aan de klager gelasten.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
verklaart het beklag gegrond;
beveelt de teruggave van de inbeslaggenomen personenauto, merk Opel type Astra met kenteken [AA-00-BB], aan de klager.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 september 2010.