7 september 2010
Strafkamer
nr. 08/03133
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, Enkelvoudige Kamer, van 21 juli 2008, nummer 22/000743-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over 's Hofs beslissing dat de verdachte niet-ontvankelijk is in het door haar ingestelde hoger beroep.
2.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:
"De verdachte deelt desgevraagd mede dat - zakelijk weergegeven - de terechtzitting in eerste aanleg is uitgelopen. Daar zij haar kinderen van school moest halen heeft zij aan de gerechtsbode doorgegeven dat zij niet aanwezig kon zijn bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak. Hier zou een aantekening van worden gemaakt en zij zou een nieuwe oproep krijgen. Dit laatste is niet gebeurd, daarom heeft zij pas op 12 februari 2008 hoger beroep ingesteld.
De voorzitter merkt op dat nergens uit blijkt dat er een aantekening is gemaakt.
Voorts merkt de voorzitter op dat, ook als de gerechtsbode aan de rechter in eerste aanleg heeft medegedeeld dat verdachte niet langer kon wachten, daarmee niet vaststaat dat de behandeling van de zaak ook zal worden aangehouden. De verdachte had dan ook na de terechtzitting in eerste aanleg moeten nagaan wat er was gebeurd met haar zaak."
2.2.2. De aantekening van het mondelinge arrest houdt in:
"Ontvankelijkheid van het hoger beroep
De dagvaarding van de verdachte om op 14 januari 2008 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 6 november 2007.
De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 14 januari 2008 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 12 februari 2008 hoger beroep ingesteld, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
BESLISSING
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep."
2.3. Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep door de verdachte, zoals in het onderhavige geval, betekent in de regel dat hij niet in dat hoger beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vóór het verstrijken van de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een later tijdstip aanvangt dan uit de wettelijke regeling voortvloeit (vgl. HR 4 mei 2004, LJN AO5706, NJ 2004, 462).
2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte niet alleen aangevoerd dat zij voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg tegen de gerechtsbode heeft gezegd dat zij niet aanwezig kon zijn bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak, maar ook dat de gerechtsbode haar heeft medegedeeld dat zij een nieuwe oproep zou ontvangen. Het Hof had de juistheid van de als laatste aangevoerde omstandigheid niet in het midden mogen laten. Indien immers zou vaststaan dat de gerechtsbode aan de verdachte zou hebben meegedeeld dat zij een nadere oproep zou ontvangen, zou sprake kunnen zijn van een omstandigheid als bedoeld in het slot van hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen. In dat geval zou aan de verdachte, in weerwil van de kennelijke gedachtegang van het Hof, niet kunnen worden tegengeworpen dat zij niet heeft nagegaan "wat er was gebeurd met haar zaak". De bestreden uitspraak is dus ontoereikend gemotiveerd.
2.5. Het middel is gegrond.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 september 2010.