15 februari 2011
Strafkamer
nr. 09/02280 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 29 april 2009, nummer 21/001956-07, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt over de verwerping van een gevoerd verweer.
2.2. Het Hof heeft met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen:
"De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 20 juni 2006 (parketnummer 21-002785-05) terzake van - kort gezegd - medeplegen van telen van hennep (feit 1) en diefstal van elektriciteit (feit 2) veroordeeld tot straf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 7.472,70 (zevenduizendvierhonderd tweeënzeventig euro en zeventig cent). Het hof komt als volgt tot deze schatting: (...)"
2.3. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Door de raadsman is nog betoogd dat veroordeelde de opbrengst van de oogst door drieën moest delen om zijn twee mededaders te betalen. Dat door veroordeelde de uiteindelijke opbrengst door drieën moest worden gedeeld is niet aannemelijk geworden nu door verdachte deze gestelde verdeling eerst in hoger beroep naar voren is gebracht, terwijl hij daar zowel in eerste aanleg als bij de politie niet eerder over heeft verklaard en deze stelling geen steun vindt in het dossier."
2.4. Voorts houdt de bestreden uitspraak als beslissing van het Hof in:
"Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.472,70 (zevenduizend vierhonderd tweeënzeventig euro en zeventig cent).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.472,70 (zevenduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en zeventig cent)."
2.5. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 7472,70 in zijn geheel aan de betrokkene toegerekend. Het heeft in dat verband geoordeeld dat de namens de betrokkene ingenomen stelling dat de uiteindelijke opbrengst door drieën moest worden gedeeld niet aannemelijk is geworden, onder meer op de grond dat "deze stelling geen steun vindt in het dossier". Dat laatste is niet zonder meer begrijpelijk, gelet op de door het Hof genoemde kwalificatie van hetgeen in de hoofdzaak ten laste van de betrokkene is bewezenverklaard. Die kwalificatie houdt immers in dat sprake was van "medeplegen".
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.M.W. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken op 15 februari 2011.