12 april 2011
Strafkamer
nr. 09/04065 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 5 oktober 2009, nummer 22/003852-08, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 322, derde lid, Sv het onderzoek op de terechtzittingen van 15 juni en 21 september 2009 telkens heeft hervat in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek op een vorige terechtzitting, op de grond dat niet blijkt dat de raadsman daarmee had ingestemd.
2.2. In zijn arrest van 12 april 2011, LJN BP2412, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geven van toe- of instemming door een raadsman, zoals op grond van art. 322, derde lid, Sv een bevoegdheid is van de raadsman die, naar volgt uit art. 331, tweede lid, Sv bij afwezigheid van de verdachte slechts toekomt aan de raadsman die op de voet van art. 279, eerste lid, Sv tot de verdediging is toegelaten.
2.3. Die regel is ingevolge art. 511d, eerste lid, Sv in ontnemingszaken van overeenkomstige toepassing.
2.4. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en C.H.W.M. Sterk, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 12 april 2011.