27 mei 2011
Eerste Kamer
10/03330
DV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 69021/FA RK 08-1673 van de rechtbank Assen van 17 december 2008;
b. de beschikkingen in de zaak 200.028.039 van het gerechtshof te Leeuwarden van 26 november 2009, 27 april 2010 en 24 juni 2010.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikkingen van het hof van 27 april 2010 en 24 juni 2010 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep tegen de beschikking van het hof van 24 juni 2010 en tot vernietiging van de beschikking van het hof van 27 april 2010 en tot verwijzing.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de beschikking van 24 juni 2010
In de bestreden beschikking heeft het hof geweigerd zijn beschikking van 27 april 2010 te verbeteren omdat het hof oordeelde dat in deze geen sprake is van een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent zoals bedoeld in art. 31 Rv. Voorziening tegen een dergelijke beschikking is volgens lid 4 van art. 31 uitgesloten. Het middel betoogt dat wel degelijk sprake is van kennelijke fouten in de beschikking van het hof van 27 april 2010, dat het hof die fouten op de voet van art. 31 Rv. had moeten verbeteren en dat het hof dan ook art. 31 ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Dit betoog, dat in wezen ertoe strekt dat art. 31 Rv. verkeerd is toegepast, rechtvaardigt geen uitzondering op de in art. 31 lid 4 geregelde uitsluiting, zodat de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. Beoordeling van het middel in het beroep tegen de beschikking van 27 april 2010
Het middel slaagt. Het hof heeft, zoals in nr. 3.6 van de conclusie van de Advocaat-Generaal breder is uiteengezet, bij zijn becijferingen ter bepaling van de behoeftigheid van de vrouw geen kenbaar onderscheid gemaakt tussen netto- en brutobedragen. Daardoor is zijn oordeel met betrekking tot die behoeftigheid zowel wat betreft de periode tot 1 januari 2009 als wat betreft de periode nadien onvoldoende begrijpelijk.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het beroep tegen de beschikking van 24 juni 2010:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep;
in het beroep tegen de beschikking van 27 april 2010:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden van 27 april 2010;
verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, J.C. van Oven, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 27 mei 2011.