31 mei 2011
Strafkamer
nr. 10/01357 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 15 december 2009, nummer rk 09/1575, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klaagster], e.v. [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de klaagster, mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel bevat een rechts- en een motiveringsklacht over de beslissing van de Rechtbank tot gegrondverklaring van het beklag.
2.2. De Rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard en de opheffing van het beslag bevolen. De Rechtbank heeft daartoe in de bestreden beschikking het volgende overwogen:
"De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. Onder klaagster is op 10 september 2009 conservatoir beslag gelegd op de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats]. Het beslag dient tot verhaal van € 172.245,- in de strafzaak tegen [betrokkene 1].
(...)
3. De woning staat sinds 6 augustus 2008 op naam van klaagster. Zij heeft een kopie overgelegd van kadastraal bericht (...).
4. Klaagster is op 21 augustus 2009 in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1].
5. [Betrokkene 1] wordt verdacht van teelt van en handel in verdovende middelen (hennep en wiet), valsheid in geschrift en witwassen.
Overwegingen
Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van hetgeen bij klaagster in beslag is genomen. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94a Sv is daarbij in dit geval van belang of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verplichting tot betaling van een geldbedrag zal opleggen, waarbij het betreffende voorwerp tot verhaal kan dienen.
De raadsman stelt primair dat, nu beslag is gelegd onder "een ander", met verwijzing naar het bevel tot in beslagneming, artikel 94a, derde lid van toepassing is, waardoor extra eisen worden gesteld aan het beslag. De rechtbank zal, gelet op het navolgende, het subsidiair aangevoerde onbesproken laten.
De officier heeft zich verzet tegen teruggave aan klaagster en daartoe aangevoerd dat na het huwelijk van klaagster met [betrokkene 1] hun beider vermogens zijn samengevloeid in een huwelijksgoederengemeenschap die volledig vatbaar is voor de schulden van de echtelieden, in dit geval [betrokkene 1]. Mede-eigendom van klaagster staat daaraan niet in de weg.
De rechtbank overweegt dat, zoals blijkt uit arresten van de Hoge Raad (LJN: BA7675 en LJN: BA7671), in de onderhavige zaak van belang is dat het gaat om een registergoed. Strafvorderlijk conservatoir beslag op onroerende zaken, die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander dan degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, is eerst toegelaten indien is voldaan aan de in art. 94a, derde lid, Sv vermelde (cumulatieve) voorwaarden (...).
De rechtbank is van oordeel dat uit de thans voorhanden stukken onvoldoende blijkt van aanwijzingen en omstandigheden waaruit geconcludeerd kan worden dat het in beslag genomen goed voldoet aan de hiervoor genoemde eisen van art. 94a, derde lid Sv."
2.3. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een door de Officier van Justitie op 2 september 2009 ondertekend bevel tot inbeslagneming, inhoudende dat het een beslag betreft dat op de voet van art. 94a Sv wordt gelegd onder een ander, te weten [klaagster], ten laste van [betrokkene 1].
2.4. Het volgende moet worden vooropgesteld.
Ingeval een beslag is gelegd als bedoeld in art. 94a Sv en een derde - als zodanig kan ook gelden degene onder wie het beslag feitelijk is gelegd, maar tegen wie het strafrechtelijk onderzoek niet is gericht - die stelt eigenaar te zijn, op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift heeft ingediend, dient de rechter als maatstaf aan te leggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk te geven. Indien de klager als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken en daarvan blijk moeten geven of zich de situatie van art. 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823,
NJ 2010/654, rov. 2.15).
2.5. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat de klaagster in gemeenschap van goederen is gehuwd met [betrokkene 1] - en de klaagster en [betrokkene 1] derhalve mede-eigenaren zijn van het in conservatoir beslag genomen onroerend goed aan de [a-straat 1] te [plaats] - geeft het oordeel van de Rechtbank, dat het klaagschrift gegrond is omdat niet is voldaan aan de eisen van art. 94a, derde lid, Sv, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2011.