14 juni 2011
Strafkamer
nr. 09/04444 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 oktober 2009, nummer RK 1605/07, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Silvis heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat deze op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
1.2. De raadsvrouwe heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel komt op tegen de door het Hof uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag.
2.2. De bestreden beschikking houdt het volgende in:
"Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag ad € 144.025,-, met last tot teruggave van dit bedrag aan klager voornoemd.
(...)
Beoordeling van het beklag
Het klaagschrift is tijdig ter griffie van dit hof ingediend.
Het hof heeft klager bij arrest van 16 augustus 2007 onder voormeld parketnummer ter zake van - kort gezegd - opzetheling veroordeeld tot een maand gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van (onder meer) de in deze zaak inbeslaggenomen geldbedragen van in totaal € 144.025,-. Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 2008, LJN BB8989, overweegt het hof dat klager geen belang meer heeft bij een beoordeling van de onderhavige klacht. Door de beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen klager kan op het bestaande klaagschrift immers geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Gelet op het voorgaande zal het hof klager niet-ontvankelijk verklaren in zijn beklag."
2.3. In de strafzaak tegen de klager heeft het Gerechtshof te Amsterdam de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan in het onderhavige, nadien ingestelde, beklag teruggave aan de klager wordt verzocht. Door deze beslissing in de strafzaak is het beslag nog niet geëindigd. Zolang het beslag niet is beëindigd, kan een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indienen strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen. De klager, die stelt rechthebbende op het geldbedrag te zijn, heeft belang bij - en is derhalve ontvankelijk in - zijn beklag. Het andersluidende oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
2.4. Opmerking verdient nog dat het door het Hof aangehaalde arrest van de Hoge Raad ziet op de - zich hier niet voordoende - situatie dat ná de beslissing op het klaagschrift waartegen het cassatieberoep is ingesteld, door de rechter in de strafzaak een beslissing is genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2011.