11 oktober 2011
Strafkamer
nr. 09/05168
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 december 2009, nummer 23/002667-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het verkorte arrest in strijd met art. 359, eerste lid, Sv niet de tenlastelegging (zoals gewijzigd in eerste aanleg) bevat van de feiten 4, 5 en 6 primair.
2.2. Omtrent de inhoud van de tenlastelegging heeft het Hof overwogen:
"Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg 25 april 2008 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.
Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.
De daarin vermelde tenlastelegging, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, wordt hier overgenomen."
2.3. In de zich bij de stukken bevindende, door de Griffier van het Hof "voor fotokopie conform" getekende kopie van het bestreden arrest is evenwel de op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 april 2008 toegestane wijziging van de tenlastelegging niet volledig opgenomen. In zoverre is het middel derhalve gegrond.
2.4. Dit behoeft evenwel in het onderhavige geval niet tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden, omdat het Hof ermee had kunnen volstaan overeenkomstig art. 423, derde lid, Sv de tenlastelegging uit het vernietigde vonnis, dat de tenlastelegging wél volledig bevatte, over te nemen, in welk geval de inhoud van eerdergenoemd gedeelte van de tenlastelegging evenmin in het bestreden arrest zelf te vinden zou zijn geweest (vgl. HR 11 november 1986, DD 87.124).
3. Beoordeling van de middelen voor het overige
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 11 oktober 2011.