24 januari 2012
Strafkamer
nr. S 10/03844 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 13 augustus 2010, nummer RK 10/631, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[Klaagster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzen als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank de ongegrondverklaring van het beklag ontoereikend heeft gemotiveerd.
2.2. De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:
"De rechter is van oordeel dat het belang van strafvordering zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag ten aanzien van de onroerende zaken, te weten het woonhuis met bedrijfspand, de ondergrond en tuin, de berging en verdere aanhorigheden, gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 1a] te 's-Hertogenbosch (kadastraal bekend onder sectie [A], nummers [001] en [002]). Gelet op de voorhanden zijnde stukken, welke zijn opgemaakt in het kader van het strafrechtelijk onderzoek gericht tegen [betrokkene 1], is het naar het oordeel van de rechter niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de in beslag genomen onroerende zaken verbeurd zal verklaren. De door de raadsvrouwe in openbare raadkamer van 30 juli 2010 overgelegde stukken rechtvaardigen geen andere conclusie."
2.3. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 30 juli 2010 houdt onder meer het volgende in:
"De raadsvrouwe voert aan, verkort en zakelijk weergegeven:
De in beslag genomen panden behoren aan [klaagster]. In de leveringsakten staat dat de panden behoren aan [klaagster]. Ik begrijp niet waarom de panden in de strafzaak tegen [betrokkene 1] onder [klaagster] in beslag worden genomen. Ten behoeve van zijn dochter heeft [klager] een bedrag van € 10.000,- en een bedrag van € 40.000,- aan eigen vermogen overgemaakt ter betaling c.q. aflossing van deze panden. Er is een afschrift van de notaris waarin wordt vermeld dat een bedrag van in totaal € 50.000,- is betaald c.q. afgelost voor de panden. Uit de overige stukken blijkt ook voldoende dat de panden behoren aan [klaagster]. Het beslag dat op de panden rust, moet worden beëindigd. Uit de verklaringen van derden is niet onomstotelijk gebleken dat de panden aan een ander dan [klaagster] behoren. Het is puur giswerk als wordt gesteld dat de panden in werkelijkheid behoren aan [betrokkene 1] en dat cliënt dit zou verhullen. [Betrokkene 1] heeft zelf verklaard dat hij slechts huurder is en dat er afspraken zijn gemaakt tussen [klaagster] en [betrokkene 1] over het betalen van verzekeringen en belastingen. Het is wellicht ongebruikelijk om dergelijke afspraken te maken bij het verhuren van een woning, maar het is niet onrechtmatig. Als partijen hiermee akkoord gaan, is dat zo. Later is er een taxatierapport opgemaakt om te kijken of [betrokkene 1] middels een hypothecaire lening de woning kon aanschaffen. Daarna bleek dat [betrokkene 1] de woning niet kon kopen en is het niet doorgegaan. De panden aan de [a-straat 1 en 1a] te 's-Hertogenbosch kunnen niet verbeurd worden verklaard in de strafzaak tegen [betrokkene 1] nu deze niet aan hem maar aan [klaagster] behoren. Om die reden dient het beslag op de panden te worden beëindigd en de panden te worden vrijgegeven.
De officier van justitie voert aan verkort en zakelijk weergegeven:
Er rust een strafrechtelijk beslag ex artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering op de panden aan de [a-straat 1 en 1a] te 's-Hertogenbosch. De panden maken onderdeel uit van een omvangrijk strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) naar een derde. Het gaat er om of er een geringe mate van waarschijnlijkheid is dat deze panden betrekking hebben op wat door [betrokkene 1] is witgewassen. Er zijn voldoende vermoedens dat de panden onderwerp van witwassen zijn. De rechter-commissaris heeft een machtiging afgegeven voor het SFO. Het is zeer wel mogelijk dat de panden verbeurd worden verklaard in de strafzaak tegen [betrokkene 1] als blijkt dat deze panden onderwerp van witwassen zijn. Het lijkt alsof er een papieren werkelijkheid is gecreëerd om het echte eigendom te verhullen.
De raadsvrouwe voert aan, verkort en zakelijk weergegeven:
Waaruit blijkt dat de panden onderwerp van witwassen zijn? Waaruit blijken de vermoedens waar de officier van justitie over spreekt? De officier van justitie spreekt slechts van vermoedens, maar kan deze niet onderbouwen. Ik heb al de vermoedens van de officier van justitie met stukken weerlegd. Ik heb naar voren gebracht wie de werkelijke eigenaar van de panden aan de [a-straat 1 en 1a] te 's-Hertogenbosch is. Er is geen papieren werkelijkheid gecreëerd. De panden komen niet voor verbeurdverklaring in aanmerking, nu deze toebehoren aan cliënt en niet aan [betrokkene 1] of een ander tegen wie het SFO is gericht. Ik persisteer bij het beklag."
2.4. Het oordeel van de Rechtbank dat het belang van strafvordering zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag ten aanzien van de onroerende zaken omdat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring van de aan de klaagster toebehorende onroerende zaken zal besluiten, is tegen de achtergrond van hetgeen namens de klaagster in raadkamer daaromtrent naar voren is gebracht zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
2.5. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2012.