5 juni 2012
Strafkamer
nr. S 11/01196
IC/CeH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 23 februari 2011, nummer 24/003227-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Hofstee heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep voor zover gericht tegen het bevel gevangenneming en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte een bevel gevangenneming heeft gegeven omdat de Rechtbank in haar vonnis het eerder gegeven, nadien geschorste bevel tot voorlopige hechtenis had opgeheven.
3.2. Bij een bespreking van het middel mist de verdachte het vereiste belang. Immers, nu het hiervoor besproken middel geen doel treft, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden einduitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zal op grond van art. 26, aanhef en onder a, Sr de bij 's Hofs arrest opgelegde gevangenisstraf - waarop de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering zal worden gebracht - op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad ingaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 juni 2012.