12 juni 2012
Strafkamer
nr. S 11/03119 B
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Haarlem van 26 april 2011, nummer RK 11/436, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[Klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank heeft verzuimd een belanghebbende in de gelegenheid te stellen tijdens de behandeling van het klaagschrift te worden gehoord.
2.2. Het door de klager ingediende klaagschrift strekt tot opheffing van het onder hem gelegde beslag op 323.400 USD, ruim vier miljoen Roepia en coupures in drie andere valuta, en tot teruggave daarvan aan hem. De Rechtbank heeft niet tot teruggave besloten maar het klaagschrift ongegrond verklaard omdat zij het niet hoogst onwaarschijnlijk achtte dat het inbeslaggenomen geld zal worden verbeurd verklaard. De verdenking bestaat dat de klager zich met de illegale handel in merkkleding heeft beziggehouden. Enkele dagen na klagers aanhouding heeft hij verklaard dat van het inbeslaggenomen geld een bedrag van 69.400 USD van een vriend van hem is. De Rechtbank heeft die vriend niet als belanghebbende opgeroepen om te worden gehoord over de inbeslagneming.
2.3. Het wettelijk systeem brengt mee dat op het gerecht de plicht rust om, alvorens op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv te beslissen, aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens na te gaan of een of meer anderen dan de klager als belanghebbend moet(en) worden aangemerkt, in welk geval het gerecht niet de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene mag gelasten zonder dat die belanghebbende(n) - indien zijn/hun adres(sen) bekend is/zijn - in de gelegenheid is/zijn gesteld om te worden gehoord en om desgewenst zelf een klaagschrift in te dienen (vgl. HR 15 februari 1994, LJN ZC9634, NJ 1994/689).
2.4. In het midden kan blijven of de Rechtbank dit heeft miskend. Nu de Rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard omdat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen verzet, en derhalve niet de teruggave van die voorwerpen heeft bevolen, kan de klager door zodanig (eventueel) verzuim immers niet in enig rechtens te respecteren belang zijn geschaad. Om die reden faalt het middel (vgl. HR 28 november 1995, LJN ZD0305, NJ 1996/383).
De Hoge Raad merkt nog op dat zich hier niet het geval voordoet dat het klaagschrift geheel (vgl. HR 8 juli 2008, LJN BC8667, NJ 2008/629) of gedeeltelijk (vlg. HR 6 januari 2009, LJN BG4193) gegrond is verklaard.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2012.