28 september 2012
Eerste Kamer
11/05268
DV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 446458/FA RK 09-9887 MN SH van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2010;
b. de beschikking in de zaak 200.083.073 van het gerechtshof te Amsterdam van 30 augustus 2011.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt ertoe dat de Hoge Raad verstaat, dat de bestreden beschikking niet meebrengt dat de vrouw te veel ontvangen kinderalimentatie moet terugbetalen of verrekenen, en het cassatieberoep verwerpt.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Partijen hebben een relatie gehad, waaruit in 2004 een kind is geboren. De man heeft het kind erkend. De vrouw oefent gezag uit over het kind, dat bij haar verblijft.
3.2 De vrouw heeft zich op 19 december 2009 bij verzoekschrift gewend tot de rechtbank en verzocht de man te veroordelen, kort gezegd, tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.615,-- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind met ingang van maart 2009. De man heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en te bepalen dat hij € 250,-- per maand zal betalen met ingang van de datum van de beschikking.
De rechtbank heeft bij beschikking van 1 december 2010 de behoefte van het kind gesteld op € 790,-- per maand.
De rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van 19 december 2009 tot 1 juni 2011 € 250,-- zal betalen, met dien verstande dat het meerdere dat hij vanaf 19 december 2009 heeft betaald niet door de vrouw dient te worden terugbetaald of verrekend, omdat een dergelijke bijdrage in de regel direct wordt verbruikt en de behoefte van het kind hoger is dan de tot 1 juni 2011 vastgestelde bijdrage. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de man met ingang van 1 juni 2011 € 790,-- zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.
De beschikking van 1 december 2010 was niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bij herstelbeschikking van 13 juli 2011 is deze veroordeling alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.3 De man heeft bij beroepschrift van 25 februari 2011 tegen de beschikking hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam en verzocht de bijdrage met ingang van 1 juni 2011 te bepalen op € 250,-- per maand. De vrouw heeft verweer gevoerd en in incidenteel appel verzocht haar oorspronkelijke verzoek alsnog toe te wijzen. Daartegen heeft de man heeft verweer gevoerd.
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind met ingang van 19 december 2009 bepaald op € 250,-- per maand en met ingang van 1 juni 2012 op € 790,-- per maand.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4 Het middel betoogt, samengevat, dat het hof ten onrechte de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de verplichting tot terugbetaling en/of verrekening van het teveel betaalde heeft vernietigd nu daartegen door de man geen grief was aangevoerd (onderdeel 1). Voorts betoogt het dat, indien zou moeten worden geoordeeld dat daartegen wel door de man een grief was aangevoerd, het hof heeft miskend dat zijn beslissing inhoudt dat de alimentatieverplichting van de man wordt verlaagd met een ingangsdatum die gelegen is voor de datum van de uitspraak van het hof hetgeen volgens vaste rechtspraak behoedzaamheid vergt (onderdeel 2).
3.5 Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.11 - 2.13. Gelet op het hiervoor overwogene wordt als volgt beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
verstaat dat de bestreden beschikking niet meebrengt dat de vrouw te veel ontvangen kinderalimentatie moet terugbetalen of verrekenen.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 28 september 2012.