25 juni 2013
Strafkamer
11/01595
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 4 november 2010, nummer RK 09/536, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank van 4 november 2010 waarbij een klaagschrift van de klager voor zover strekkende tot teruggave van een onder [betrokkene 1] inbeslaggenomen geldbedrag van € 308.925,- ongegrond is verklaard.
2.2. De beschikking van de Rechtbank houdt, voor zover hier van belang, in:
"De rechtbank is van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, in die strafzaak (definitief) oordelend, het in beslag genomen geld zal verbeurdverklaren.
(...)
Ten slotte heeft de rechtbank, in dezelfde samenstelling als de huidige kamer, in bovengenoemde strafzaak tegen [betrokkene 1], in een vonnis van dezelfde datum als die waarop de onderhavige beslissing tegen het beklag wordt gewezen, [betrokkene 1] veroordeeld voor - kort gezegd - de handel in verdovende middelen en het witwassen van het in beslag genomen geld. Daarbij is ook als bijkomende straf de verbeurdverklaring van dat geld opgelegd."
Blijkens de door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen zoals in de conclusie vermeld, betreft het in de strafzaak tegen de beslagene verbeurdverklaarde geldbedrag het gehele bedrag waarop het beklag betrekking heeft.
Deze beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen een ander dan de klager betekent dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist, geen belang meer heeft bij het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank van 4 november 2010, waarin zijn beklag ongegrond is verklaard. De klager dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. In de bestreden beschikking is immers naar zijn aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door die beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen [betrokkene 1] kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. Dit is ingevolge art. 552b Sv eerst anders nadat de beslissing tot verbeurdverklaring in de strafzaak uitvoerbaar is geworden. De klager dient daarom in zijn beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2013.