ECLI:NL:HR:2013:CA3936

ECLI:NL:HR:2013:CA3936, Hoge Raad, 21-06-2013, 13/01606

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 21-06-2013
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/01606
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2013:CA3936
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 5 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001840 BWBR0001854 BWBR0001888 BWBR0001903 BWBR0001941 BWBR0001950 BWBR0002063 BWBR0002154 BWBR0002221 BWBR0002320 BWBR0002415 BWBR0002448 BWBR0002559 BWBR0002628 BWBR0002656 BWBR0004028 BWBR0004149 BWBR0004257 BWBR0004302 BWBR0004581 BWBR0004627 BWBR0005075 BWBR0005289 BWBR0005290 BWBR0005291 BWBR0005537 BWBR0005700 BWBR0005789 BWBR0005848

Samenvatting

Bopz. Verzoek om machtiging tot voortzetting inbewaringstelling op de voet van art. 27 Wet Bopz. Geneeskundige verklaring; begrip niet bij de behandeling betrokken psychiater.

Uitspraak

21 juni 2013

Eerste Kamer

13/01606

RM/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Betrokkene],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE LIMBURG,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1. Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/03/178619/BZ RK 13-93 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 februari 2013.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Limburg.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij beschikking van de burgemeester van Sittard-Geleen van 17 februari 2013 is ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling gegeven als bedoeld in art. 20 Wet Bopz. Betrokkene is op grond van die last opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Op 18 februari 2013 heeft de officier van justitie onder overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 21 Wet Bopz de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling. De geneeskundige verklaring, gedateerd 17 februari 2013, was opgesteld en ondertekend door de psychiater [psychiater 1].

(iii) Bij de mondelinge behandeling van de zaak op 21 februari 2013 heeft de raadsman van betrokkene het verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat het onderzoek niet is verricht door een onafhankelijk psychiater.

Naar aanleiding van dit verweer heeft de rechtbank inlichtingen verzocht aan de psychiater [psychiater 1].

(iv) Bij brief van 22 februari 2013 heeft deze psychiater de rechtbank het volgende medegedeeld:

"Op verzoek van de rechtbank verklaar ik dat ik sinds 5 december 2012 niet meer behandelend psychiater ben van [betrokkene]. (...) Wel heb ik eerder een geneeskundige verklaring geschreven voor een Rechterlijke Machtiging. Daarnaast heb ik betrokkene éénmaal gesproken tijdens een vervanging van collega (...), nu enkele maanden geleden, tijdens een klinische opname. (...)."

(v) Bij beschikking van 22 februari 2013 heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

"Weliswaar heeft de advocaat vraagtekens geplaatst bij de onafhankelijkheid van de psychiater (...). De rechtbank acht deze door de advocaat geuite twijfels door het schrijven van [de psychiater] [psychiater 1] van 22 februari 2013 genoegzaam weerlegd. Anders dan betrokkene meent is niet gebleken dat de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgemaakt als niet-onafhankelijk zou moeten worden beschouwd."

3.2.1 Het middel klaagt in de kern dat de rechtbank heeft miskend dat voor het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling een geneeskundige verklaring is vereist van een onafhankelijk psychiater. Volgens het middel heeft de rechtbank gebruik gemaakt van een verklaring van een psychiater die als behandelend psychiater dient te worden aangemerkt nu hij naar eigen zeggen tot 5 december 2012 de behandelend psychiater was van betrokkene.

3.2.2 Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 16 oktober 2009 (LJN BK0342, NJ 2009/518) geoordeeld dat in het algemeen moet worden aangenomen dat ten minste een jaar moet zijn verstreken tussen het moment waarop de psychiater voor het laatst behandelcontact met de betrokkene heeft gehad, en het moment waarop die psychiater zijn onderzoek verricht ten behoeve van een op grond van de Wet Bopz vereiste geneeskundige verklaring, om die psychiater te kunnen aanmerken als "niet bij de behandeling betrokken" als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz. Die beschikking betrof weliswaar een machtiging tot voortgezet verblijf, maar niet valt in te zien waarom op dit punt anders zou moeten worden geoordeeld in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ook in het kader van laatstbedoelde machtiging strekt het vereiste dat het onderzoek moet zijn verricht door een psychiater die niet bij de behandeling betrokken was, immers ertoe de waarborgen rond de voortzetting van de gedwongen opname te versterken door het eisen van een onafhankelijk oordeel ter advisering van de rechter.

De rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat de omstandigheid dat de psychiater [psychiater 1] tot 5 december 2012 de behandelend psychiater was van betrokkene, niet eraan in de weg stond om hem op 17 februari 2013 als "niet bij de behandeling betrokken" psychiater aan te merken. In het licht van vorenstaande vuistregel met betrekking tot het begrip niet bij de behandeling betrokken psychiater is dit oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt dus.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg van 22 februari 2013;

verwijst de zaak naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 21 juni 2013.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJB 2013/1616 RvdW 2013/825 NJ 2013/352 RFR 2013/105 JWB 2013/343 JVggz 2013/37 met annotatie van W. Dijkers PFR-Updates.nl 2013-0116
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?