24 januari 2014
Strafkamer
nr. 13/01250
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 20 september 2012, nummer 23/001483-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste en het tweede middel
Het eerste middel klaagt dat het Hof het ter terechtzitting in hoger beroep van 6 september 2012 herhaalde (eerder afgewezen) verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen op onjuiste gronden, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Als toelichting op dit middel houdt de schriftuur het volgende in:
"Het door de strafgriffie van de Hoge Raad toegezonden afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 september 2012 bevat geen pagina 7 van dat proces-verbaal. De nummering verspringt van pagina 6 naar pagina 8. Nu deze pagina ontbreekt in het proces-verbaal kan niet worden vastgesteld dat het hof heeft beslist op de verzoeken van de verdediging en dat heeft nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg. Indien en voor zover alsnog uit een proces-verbaal zou blijken dat het hof de verzoeken zou hebben afgewezen op dezelfde gronden als door de advocaat-generaal voorgesteld, dan is de motivering andermaal ontoereikend (...)"
Het tweede middel klaagt dat het Hof op 6 september 2012 het geschorste onderzoek in gewijzigde samenstelling heeft hervat in de stand waarin zich dat ten tijde van de schorsing bevond, zonder dat het Hof instemming heeft gevraagd aan het Openbaar Ministerie en de verdediging, terwijl uit het proces-verbaal evenmin blijkt dat het Hof het geschorste onderzoek ter terechtzitting opnieuw heeft aangevangen. Als toelichting op dit middel houdt de schriftuur het volgende in:
"Het proces-verbaal van 6 september 2012 vermeldt niets aangaande de hervatting van de eerder geschorste zitting en evenmin maakt het proces-verbaal melding van een hervatting in de stand waarin de zaak zich op 12 januari 2012 bevond. Ook vermeldt het proces-verbaal niet dat de zaak geheel opnieuw zou zijn aangevangen.
(...) Overigens ontbreken ook hier de pagina's 2 en 3 in het afschrift van het proces-verbaal van het hof zoals dat door de strafgriffie van de Hoge Raad aan de raadsman is toegezonden."
De middelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
Ingevolge art. IV lid 3 van het Procesreglement Strafkamer Hoge Raad moet een raadsman die bevindt dat de processtukken niet volledig zijn, binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn schriftelijk een verzoek om aanvulling indienen bij de rolraadsheer. Dit voorschrift strekt onder meer tot een voortvarende behandeling van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat ingeval hetzij de griffie van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gewezen, heeft verzuimd het volledige procesdossier aan de Hoge Raad te zenden, hetzij de strafadministratie van de Hoge Raad heeft verzuimd om tijdig een compleet afschrift van de (kern)stukken aan de raadsman toe te sturen, zo een verzuim zo spoedig mogelijk aan het licht dient te komen zodat alsdan de gelegenheid kan worden geboden tot onverwijld herstel van het verzuim, en voorts dat van de raadsman mag worden verlangd dat hij tijdig zo een tekortkoming ontdekt in de aan hem toegezonden afschriften.
In het onderhavige geval is niet gebleken dat de raadsman met betrekking tot het hem toegezonden, onvolledige afschrift van voormeld proces-verbaal zo een verzoek om aanvulling heeft ingediend bij de rolraadsheer. De middelen moeten dus onbesproken blijven.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 januari 2014.