21 november 2014
nr. 14/00499
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 16 december 2013, nr. SGR 13/4121, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een ten aanzien van belanghebbende genomen besluit inzake vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het beroep. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiƫn heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
De klachten houden in dat de forfaitaire regeling voor kosten van rechtsbijstand, welke geen onderscheid maakt tussen particulieren enerzijds en ondernemers in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 anderzijds, een met het discriminatieverbod strijdige benadeling teweegbrengt van particulieren. Voor deze particulieren behoort de ter zake van die rechtsbijstand in rekening gebrachte omzetbelasting tot de kosten daarvan, terwijl dat niet geldt voor ondernemers die deze omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 in aftrek kunnen brengen.
De klachten falen. De wetgever heeft ervoor gekozen niet te voorzien in een regeling tot vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, maar te voorzien in een regeling tot toekenning van een forfaitaire bijdrage in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand waarvan slechts in bijzondere omstandigheden door de rechter kan worden afgeweken. Met zijn keuze voor een eenvoudig toepasbaar algemeen forfait met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge (vgl. HR 24 oktober 2003, nr. 37565, ECLI:NL:HR:2003:AF7557, BNB 2004/257). Niet kan worden gezegd dat de door belanghebbende gestelde benadeling leidt tot een verboden discriminatie.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheer L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.