11 september 2015
Eerste Kamer
15/02265
LZ/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene] ,wonende te [woonplaats] , thans verblijvende te Hoofddorp,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
de OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT NOORD-HOLLAND, zetelende te HAARLEM,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/15/221480/FA RK 15-580 van de rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2015.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Noord-Holland.
3. Beoordeling van het middel
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Op 4 februari 2015 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht op de voet van art. 2 Wet Bopz een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd, op 30 januari 2015 opgemaakt en ondertekend door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater 1] , die betrokkene met het oog op een zodanige machtiging heeft onderzocht.
(ii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 19 februari 2015. Zij heeft betrokkene en zijn advocaat gehoord alsmede de behandelend arts, een arts in opleiding en een ambulant verpleegkundige.
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend voor de duur van drie maanden. Zij heeft onder meer overwogen dat betrokkene heeft verklaard dat hij sinds 1 februari 2015 vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef. Het verweer van de advocaat dat, gelet op dit vrijwillig verblijf, een voorlopige machtiging niet aan de orde was, is door de rechtbank verworpen. De rechtbank was van oordeel, kort gezegd, dat de bereidheid van betrokkene om vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis te verblijven, niet consistent was.
De in onderdeel I aangevoerde klacht, die is gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de hiervoor in 3.2 bedoelde bereidheid van betrokkene, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Onderdeel II klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat een geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur had moeten worden overgelegd.
De klacht is gegrond. Ingevolge art. 2 lid 4 in verbinding met art. 5 lid 1 Wet Bopz moet in het geval dat de betrokkene reeds vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, bij het verzoek om een voorlopige machtiging een verklaring worden overgelegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis waarin de betrokkene verblijft. Volgens vaste jurisprudentie is niet vereist dat de geneesheer-directeur de geneeskundige verklaring opmaakt, maar is voldoende dat hij de door de psychiater opgemaakte geneeskundige verklaring (mede) ondertekent (zie onder meer HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1425, NJ 1994/723, en HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2094, NJ 1997/36).
De bestreden beschikking moet aldus worden verstaan dat de rechtbank ervan is uitgegaan dat betrokkene reeds (vanaf 1 februari 2015) vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verbleef toen de officier van justitie (op 4 februari 2015) zijn verzoek bij de rechtbank indiende. De rechtbank heeft miskend dat het verzoek niet toewijsbaar was, nu de daarbij overgelegde geneeskundige verklaring niet (mede) was ondertekend door de geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis waarin betrokkene verbleef.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 19 februari 2015;
verwijst het geding naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J. Wortel op 11 september 2015.