13 november 2015
Eerste Kamer
14/04752
EV/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,
t e g e n
DAKTEAM DAKBEHEER B.V.,gevestigd te Zwijndrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. K. Aantjes.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Dakbeheer.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in kort geding in de zaak 2871093 VV EXPL 14-34 van de kantonrechter te Rotterdam van 18 april 2014;
b. het arrest in de zaak 200.149.265/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Dakbeheer heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Nadien heeft haar advocaat zich onttrokken en is niemand voor Dakbeheer in cassatie verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generala G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dakbeheer begroot op € 838,07 aan verschotten en € 800,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadshere A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, V. van den Brink en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 13 november 2015.