17 februari 2015
Strafkamer
nr. S 14/03673 B
LNU/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2013, nummer RK 13/814, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft mr. K.Y. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de klager niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2013 waarbij het klaagschrift van de klager strekkende tot teruggave van het onder de klager inbeslaggenomen geldbedrag van € 18.620,− ongegrond is verklaard.
Uit door de Advocaat-Generaal ingewonnen inlichtingen blijkt dat deze Rechtbank op 19 november 2013 vonnis heeft gewezen in de strafzaak tegen de klager, waarbij de teruggave is gelast van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 18.620,−.
Deze beslissing omtrent het beslag in de strafzaak betekent dat de klager, die teruggave heeft verzocht van het geldbedrag ten aanzien waarvan inmiddels bij voormeld vonnis is beslist, geen belang meer heeft bij zijn beroep tegen de bestreden beschikking. In die beschikking is immers naar haar aard een beslissing gegeven in afwachting van het oordeel van de strafrechter dienaangaande. Door de beslissing omtrent het beslag in de strafzaak tegen de klager kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen. De klager dient daarom in het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard (vgl. HR 8 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB8989, NJ 2008/53). De omstandigheid dat tegen voornoemd vonnis door de Officier van Justitie hoger beroep is ingesteld maakt dit niet anders.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klager niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015.