ECLI:NL:HR:2015:502

ECLI:NL:HR:2015:502, Hoge Raad, 03-03-2015, 13/03263

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 03-03-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 13/03263
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2015:101
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903

Samenvatting

N-o verklaring in h.b. Verplicht toezenden/uitreiken grievenformulier? V.zv. het middel berust op de opvatting dat aan een verdachte die ex art. 450.1. sub b Sv d.m.v. van het geven van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker h.b. heeft ingesteld, een zogenoemd grievenformulier moet worden uitgereikt of toegezonden dan wel dat in dat hij in zodanig geval anderszins van de zijde van justitie geïnformeerd dient te worden dat hij een schriftuur houdende grieven kan indienen, en dat het achterwege blijven daarvan in het geval dat tegen de ttz. in h.b. niet verschenen verdachte verstek wordt verleend, eraan in de weg staat dat het hof toepassing geeft aan art. 416.2 Sv, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Dat staat overigens niet eraan in de weg dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of aan art. 416.2 Sv toepassing moet worden gegeven, rekening houdt met de omstandigheid of aan verdachte zo een formulier is uitgereikt of toegezonden.

Uitspraak

3 maart 2015

Strafkamer

nr. 13/03263

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 22 februari 2013, nummer 21/004698-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van het middel

Het middel keert zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Tot de aan de Hoge Raad gezonden stukken behoren:

(i) een "aantekening mondeling vonnis" inhoudende dat de verdachte door de Politierechter in de Rechtbank Utrecht is veroordeeld wegens verduistering;

(ii) een akte instellen hoger beroep inhoudende dat een medewerker ter griffie van de Rechtbank Utrecht - daartoe door de verdachte "blijkens de aan deze akte gehechte brief" bij bijzondere volmacht gemachtigd - namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen voornoemd vonnis;

(iii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep inhoudende dat de verdachte aldaar niet is verschenen en dat het Hof tegen hem verstek heeft verleend.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het heeft daartoe het volgende overwogen:

"De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, ingediend. Ook heeft hij niet ter terechtzitting in hoger beroep mondeling de bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak. Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep."

Voor zover het middel berust op de opvatting dat aan een verdachte die op de voet van art. 450, eerste lid onder b, Sv door middel van het geven van een schriftelijke bijzondere volmacht aan een griffiemedewerker hoger beroep heeft ingesteld, een zogenoemd grievenformulier moet worden uitgereikt of toegezonden dan wel dat hij in een zodanig geval anderszins van de zijde van justitie geïnformeerd dient te worden dat hij een schriftuur houdende grieven kan indienen, en dat het achterwege blijven daarvan in het geval dat tegen de ter terechtzitting in hoger beroep niet verschenen verdachte verstek wordt verleend, eraan in de weg staat dat het hof toepassing geeft aan art. 416, tweede lid, Sv, faalt het omdat die opvatting geen steun vindt in het recht. Dat staat overigens niet eraan in de weg dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of aan art. 416, tweede lid, Sv toepassing moet worden gegeven, rekening houdt met de omstandigheid of aan de verdachte zo een formulier is uitgereikt of toegezonden.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2015.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 2015/150 met annotatie van NJB 2015/561 RvdW 2015/418 SR-Updates.nl 2015-0112
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?