27 maart 2015
Eerste Kamer
15/00292
RM/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[klager],wonende te [woonplaats],
KLAGER.
1. Het beklag
Klager heeft op 5 september 2013 aangifte gedaan van strafbare feiten die naar zijn mening zijn gepleegd door de directie van de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. en door de minister van Economische Zaken. De officier van justitie heeft op 20 januari 2014 een gesprek gevoerd met klager waarin klager heeft medegedeeld dat hij de aangifte wenste uit te breiden.
Bij brief van 28 januari 2014 heeft de officier van justitie aan klager laten weten ter zake van de aangifte geen strafvervolging te zullen instellen.
Klager heeft bij brief van 3 maart 2014 hierover beklag gedaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof heeft zich onbevoegd verklaard om van de klacht kennis te nemen voor zover deze is gericht tegen de minister en de zaak in zoverre verwezen naar de Hoge Raad. Voor het overige heeft het hof de klacht afgewezen.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
Het klaagschrift is eveneens aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
Ingevolge art. 119 Grondwet en art. 76 RO staan (gewezen) ministers, staatssecretarissen en leden van de Staten-Generaal wegens ambtsmisdrijven in die betrekkingen gepleegd, in eerste en hoogste ressort terecht voor de Hoge Raad. De opdracht tot vervolging ter zake van die misdrijven kan slechts worden gegeven bij Koninklijk Besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer (art. 119 Grondwet; art. 4 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriƫle Departementen; art. 483 leden 1 en 2 Sv) (vgl. HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0198, NJ 2011/122).
Nu hieruit volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van een door een minister van Economische Zaken gepleegd ambtsmisdrijf als door klager bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk.
Het voorgaande brengt mee dat oproeping van klager achterwege kan blijven (vgl. art. 12c Sv).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beklag.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 maart 2015.