14 april 2015
Strafkamer
nr. 14/02240
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 29 augustus 2013, nummer 21/001148-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft schriftelijk het standpunt ingenomen dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het middel klaagt onder meer over de kwalificatie die het Hof heeft gegeven aan de bewezenverklaring. Het voert daartoe aan dat het Hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als onder meer "diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt", terwijl de bewezenverklaring - voor zover hier van belang - slechts inhoudt dat de diefstal is gepleegd "gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd" uit een woning.
Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"hij op 21 april 2012, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in de gemeente Almere tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [a-straat 1]) heeft weggenomen
- meerdere laptop(s) en
- een (LCD) televisie en
- een spaarpot met daarin een hoeveelheid geld (ongeveer 225 euro) en
- een groot aantal pakjes sigaretten en
- een sieradendoosje met daarin diverse sieraden en
- meerdere kussenslopen en
- een geldkistje en
- een sleutelbos,
toebehorende aan [betrokkene] en/of diens ouders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak."
Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
"diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak."
Het Hof heeft de verdachte te dier zake veroordeeld tot, voor zover hier van belang, een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Het Hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
"De verdachte heeft zich 's nachts, terwijl de bewoners wegens een vakantie afwezig waren, schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Hij en zijn mededaders hebben daarbij een groot aantal goederen buitgemaakt. Behalve dat slachtoffers hierdoor worden aangetast in hun eigendomsrecht, roept een dergelijk misdrijf bij slachtoffers en in de samenleving als geheel in hoge mate een gevoel van onveiligheid op.
Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij reeds kort na het uitzitten van het onvoorwaardelijke deel van een gevangenisstraf wegens soortgelijke feiten er opnieuw blijk van heeft gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Het hof acht daarom oplegging van een straf zoals door de advocaat-generaal is gevorderd passend en geboden. (...)"
Art. 311 Sr luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"1. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft:
(...)
3° diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt;
4° diefstal door twee of meer verenigde personen;
5° diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inklimming, van valse sleutels, van een valse order of een vals kostuum;
(...)
2. Indien de onder 3° omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in onder 4° en 5° vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd."
Gelet op de wettelijke strafmaxima en in aanmerking genomen de door het Hof opgelegde straf en 's Hofs motivering van die straf, is het belang van de verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting met betrekking tot het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. De enkele stelling dat het Hof bij "de strafoplegging is uitgegaan van artikel 311 lid 2 Sr, hetgeen met aanzienlijk meer straf is bedreigd dan diefstal in vereniging gepleegd door middel van braak", is - gelet op de opgelegde straf en 's Hofs strafmotivering - daartoe ongenoegzaam. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren N. Jörg en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 april 2015.