ECLI:NL:HR:2016:2457

ECLI:NL:HR:2016:2457, Hoge Raad, 01-11-2016, 14/06090

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-11-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 14/06090
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2016:1044
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2014:5919
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 11 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001888 BWBR0001903

Samenvatting

1. Belaging BN-er en ex-vriendin van verdachte. 2. Absolute verjaringstermijn belaging, art. 72.2 Sr. Ad 1. Falende bewijsklachten belaging. HR: art. 81.1 RO. Ad 2. HR ambtshalve: Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zich in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 heeft schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin. Gelet op de aard van het delict en op de omstandigheid dat het Hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als één misdrijf, is er gelet op art. 72.2 Sr, zoals dit artikel luidt sedert de i.w.tr. op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310, geen sprake van verjaring. CAG: anders t.a.v. verjaring.

Uitspraak

1 november 2016

Strafkamer

nr. S 14/06090

SG/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 november 2014, nummer 23/004161-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissingen ter zake van het onder 3-B tenlastegelegde feit voor zover dat is begaan in de periode van 1 mei 2003 tot en met de datum dat de Hoge Raad uitspraak doet, minus twaalf jaar, alsmede ten aanzien van de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in de vervolging wat betreft het onder 3-B tenlastegelegde voor zover dit is begaan in voormelde periode, tot het verminderen van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

Aan de verdachte is onder 3-B tenlastegelegd - kort gezegd - dat hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2002 tot en met 1 februari 2006 [betrokkene] heeft belaagd als bedoeld in art. 285b Sr. Het Hof heeft wegens verjaring van het recht tot strafvordering het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor zover het tenlastegelegde ziet op de periode van 1 mei 2002 tot en met 18 november 2002. Het Hof heeft vervolgens ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich in de periode van 1 mei 2003 tot 1 oktober 2005 heeft schuldig gemaakt aan belaging van [betrokkene].

Gelet op de aard van het delict en op de omstandigheid dat het Hof het onder 3-B bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als één misdrijf, is - gelet op het te dezen toepasselijke tweede lid van art. 72 Sr, zoals dit luidt sedert de inwerkingtreding op 7 juli 2006 van de Wet van 5 juli 2006, Stb. 2006, 310 - geen sprake van verjaring.

3. Beoordeling van het zesde middel

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van acht maanden.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze zeven maanden en twee weken beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2016.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl RvdW 2016/1134 NJ 2017/52 met annotatie van P. Mevis SR-Updates.nl 2016-0401 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?