23 februari 2016
Strafkamer
nr. S 15/01278
MD/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2014, nummer 22/003497-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft T. Lucas, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. Het middel voert daartoe aan dat getracht had moeten worden de appeldagvaarding uit te reiken op het adres dat de verdachte in de appelakte heeft doen opnemen.
De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Bij de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich:
- een appelakte inhoudende dat de verdachte op 9 augustus 2013 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De akte houdt in als adres van de verdachte: [a-straat 1] 's-Gravenhage;
- het dubbel van de dagvaarding van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 14 oktober 2014 met daaraan gehecht:
(i) een akte van uitreiking inhoudende dat voormelde dagvaarding op 5 september 2014 is uitgereikt op het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage aan een persoon die zich op dat adres bevond en die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan de verdachte te doen toekomen;
(ii) een ID-staat SKDB van 12 september 2014 inhoudende dat de verdachte:
- van 10 februari 2011 tot 1 april 2014 op het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage in de BRP was ingeschreven;
- van 1 april 2014 tot 7 juli 2014 op het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage in de BRP was ingeschreven en
- vanaf 7 juli 2014 zonder bekende woon-of verblijfplaats is.
Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat is getracht de appeldagvaarding op het adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage uit te reiken zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is geschied.
De bestreden uitspraak houdt in als adres van de verdachte: [b-straat 1] te 's-Gravenhage.
Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een BRP en niet in Nederland is gedetineerd, is de betekening in elk geval geldig indien de dagvaarding is aangeboden aan de feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte en - omdat hij aldaar niet werd aangetroffen - is uitgereikt aan iemand die zich op dat adres bevond en zich bereid verklaarde de dagvaarding onverwijld aan de verdachte te doen toekomen (art. 588, derde lid sub a, Sv) (vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, rov 3.17).
In de bestreden uitspraak ligt als het oordeel van het Hof besloten dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. In aanmerking genomen dat het Hof in de bestreden uitspraak als adres van de verdachte het adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage heeft vermeld, heeft het kennelijk geoordeeld dat dit adres als verdachtes feitelijke woon- of verblijfplaats had te gelden bij gebreke van een inschrijving van de verdachte in een BRP en dat het door de verdachte in de appelakte opgegeven adres [a-straat 1] te 's-Gravenhage was achterhaald door het later opgegeven adres [b-straat 1] te 's-Gravenhage.
Gelet op de hiervoor onder 2.2.1 weergegeven stukken is dat oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 februari 2016.