ECLI:NL:HR:2016:3409

ECLI:NL:HR:2016:3409, Hoge Raad, 20-12-2016, 15/04811

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 20-12-2016
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 15/04811
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHAMS:2015:5587
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001854 BWBR0001903

Samenvatting

Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.

Uitspraak

20 december 2016

Strafkamer

nr. S 15/04811

AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 oktober 2015, nummer 23/000285-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.

MIDDEL

Het recht (art. 6 EVRM) is geschonden en/of op straffe van nietigheid in acht te nemen vormen (art. 359 lid 3 en lid 8 Sv. jo. art. 415 Sv.) zijn verzuimd, omdat de motivering van de bewezenverklaring ontoereikend, althans onbegrijpelijk is;

TOELICHTING

1. Naar aanleiding van een gevoerd bewijsverweer heeft het hof in het bestreden arrest het volgende overwogen en beslist:

Het hof is van oordeel dat het de verdachte tenlastegelegde feit wettig en . overtuigend bewezen kan worden. Blijkens het proces-verbaal zijn er drie getuigen die de mishandeling hebben gezien. Twee getuigen herkennen de verdachte onafhankelijk van elkaar en duiden hem met zijn naam aan. Dat de getuigen geen gedetailleerd signalement hebben gegeven van de verdachte doet niet af aan de overtuiging van het hof reeds omdat zij ieder afzonderlijk de verdachte bij naam hebben genoemd. De door de raadsman als ‘ontlastende getuigen ’ aangemerkte personen hebben daarentegen geen van allen uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte zich op het tijdstip waarop het ten laste gelegde feit zich heeft afgespeeld op een andere locatie bevond dan de pleegplaats. Aldus acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Echter, één van de door het hof bedoelde getuigen, te weten de getuige [getuige], heeft - als getuige gehoord tijdens de terechtzitting bij de politierechter - wel degelijk uitdrukkelijk verklaard dat de verdachte zich op het tijdstip van het delict (ca. 2.45 uur) op een andere locatie bevond dan de pleegplaats:

In de avond waren wij bij zijn moeders huis. Zijn moeder en zijn zus waren beiden thuis. Wij gingen rond een uur of één samen naar bed toe. Ik slaap bij verdachte in bed. Ik weet niet meer of wij de laatste waren van het gezelschap die naar bed toe ging. Wij zijn niet uit geweest of iets dergelijks.

2. Indien het hof dit ‘alibi’ niet over het hoofd zou hebben gezien dan zou het - mede in aanmerking genomen de overige ontlastende verklaringen en omstandigheden en hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht - de verdachte waarschijnlijk hebben vrijgesproken. Dit klemt temeer nu niet kan worden gezegd dat het bestreden arrest voldoende gegevens bevat waarin een toereikende motivering besloten ligt, of dat dit motiveringsgebrek geen afbreuk doet aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van het arrest of dat dit motiveringsverzuim van ondergeschikte betekenis is (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU0130, NJ 2006, 393). Mitsdien heeft dit motiveringsgebrek ingevolge art. 359 lid 8 Sv. nietigheid van het bestreden arrest tot gevolg;

3. De verdachte heeft een rechtens te respecteren belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de strafzaak (vgl. HR 11 september 2012, LJN BX7004, NJ 2013, 243, r.o. 2.6.2.), omdat het hof waarnaar is verwezen of teruggewezen alsdan kan beslissen dat de verdachte alsnog moet worden vrijgesproken;

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?